Windesheim

Windesheim

vrijdag 19 februari 2021

Op weg naar een rijke leeromgeving voor begrijpend lezen

Een stille ramp

De berichtgeving over begrijpend lezen en leesmotivatie van Nederlandse kinderen is zorgwekkend. Er voltrekt zich een stille ramp in Nederland die niet alleen begrijpend lezen betreft maar ook de daarmee verbonden kennisverwerving op alle niveaus in de samenleving. Dit bewustzijn is doorgedrongen tot jouw school en (een aantal van) jouw collega's. Jullie willen actie ondernemen en niet meer stappen in de valkuilen van het verleden. Inmiddels is immers duidelijk dat begrijpend lezen geen generieke vaardigheid is die met losse teksten (en vragen) getraind kan worden. De vaardigheid tot begrijpend lezen is thema-specifiek en alleen via kennisverwerving bereikbaar (Hirsch, 2019Tyner en Kabourek, 2020). Tegelijkertijd speelt begrijpend lezen zelf een belangrijke en ook weer thema-specifieke rol in kennisverwerving. Hoe meer de leerling al weet over een thema, hoe meer hij erover kan leren door boeken te lezen of te beluisteren. Dit pleit voor een thematische aanpak met hele boeken. 

In aansluiting hierop ontwikkelden we Focus op begrip, een werkwijze om het leesbegrip te bevorderen. We schreven hierover uitvoerig in onze blog (o.m. een handleiding) en in ons boek Rijke taal. Focus is een werkwijze die om stapsgewijze invoering vraagt binnen de school. 

Waar je kunt beginnen

In deze blog willen we je helpen met de vraag waar je kunt beginnen als je zo snel mogelijk een rijke leeromgeving wilt maken voor (begrijpend) lezen in verbinding met de zaakvakken. Jouw school: een school waar lezen niet op zichzelf staat, maar waar lezen bijdraagt aan kennisverwerving en waar kennisverwerving bijdraagt aan lezen. Taalonderwijs staat niet op zichzelf. Taal gaat altijd ergens over en taalonderwijs wordt dan ook pas effectief als onderwerpen gedurende langere tijd doorlopen, betekenis hebben binnen het curriculum en serieus en veelzijdig behandeld worden. Alleen dan kunnen alle leerlingen, ook taalzwakke leerlingen, een rijk mentaal netwerk opbouwen van woorden en begrippen rondom het thema. Een rijk mentaal netwerk dat begrip mogelijk maakt, nu en in de toekomst. 

Hele boeken

Daarbij is het van belang om vooral hele fictieboeken te gebruiken over het thema, met een natuurlijk rijk taalgebruik. De taal- en begripsontwikkeling is immers afhankelijk van een rijk taalaanbod. Niet van korte door AVI gereduceerde zinnetjes met een door CLIB verarmde woordenschat, die door pure taalarmoede (en daarmee verarmde informatie) ook nog eens moeilijk te begrijpen zijn. Losse teksten hebben overigens veel minder invloed op de taalontwikkeling dan het (voor)lezen van hele boeken over het thema. Hoe meer hele boeken over het thema, hoe beter. Meerdere boeken lezen (of horen voorlezen) draagt bij aan een goede uitbouw van de conceptuele netwerken die belangrijk zijn voor begrip en nadenken over het thema. 

Welke acties zijn voorwaardelijk?

Wat is op jouw school nodig om te kunnen beginnen met geïntegreerd lees- en zaakvakonderwijs (Focus)? De volgende acties zijn voorwaardelijk voor het starten met Focus en leiden in combinatie met elkaar, mits goed uitgevoerd, ook al tot taal-, kennis- en begripsontwikkeling zonder dat al meteen overgegaan wordt tot de keuze van brede conceptuele thema's en tot het gebruik van thema-collecties met boeken en teksten en in samenhang met de zaakvakken zoals beschreven in de Focus- handleiding. 

1. Boekcollectie op school

Een uitgebreide, actuele en aantrekkelijke boekcollectie is de belangrijkste voorwaarde voor het werken aan begrijpend lezen. Zorg voor goede klassenbibliotheken: veel interessante boeken voor je leerlingen en vooral ook series in de klas. Zorg dat er ook tablets zijn met Yoleo. Als je een schoolbibliotheek hebt: verdeel die grotendeels over de klassen, dit geldt in ieder geval voor de fictieboeken. Als dat niet lukt: zorg dan dat leerlingen en jijzelf altijd minstens 2 boeken in de klas hebben en dat er geen drempels zijn om boeken bij te lenen uit de schoolbibliotheek. Boeken mogen ook mee naar huis, thuis verder lezen in een spannend boek is de kortste weg naar taal- en begripsontwikkeling.

Belangrijke criteria voor de boekcollectie: 

1. Totaal aantal boeken: 8 boeken per kind (zie Collectieplan Schoolbibliotheek), 
2. Overwegend verhalende boeken (fictie en non-fictie) met rijke taal (AVI boekjes alleen voor groep 3)
3. Uitgebreide collectie populaire series 
4. Een kleine collectie makkelijk lezen boeken
5. Luisterboeken / Yoleo
6. Kinderen kunnen iedere dag van de week boeken lenen (ook voor thuis) 
7. Jaarlijkse update en uitbreiding van de schoolbibliotheek (bij voorkeur in samenwerking met de openbare bibliotheek)
8. Bereid met de openbare bibliotheek voor hoe in de toekomst themacollecties samengesteld en geleend kunnen worden die bestaan uit engagerend boeken met rijke taal en een sterke verhaalstructuur (het gaat dan in de meeste gevallen om fictie). Leen nu al enkele van die boeken om voor te lezen bij thema's die bij geschiedenis behandeld worden. 

2. Tijd voor vrije keuze lezen

Dagelijks minimaal een half uur lezen met vrije boekkeuze waarbij je leerlingen met weinig leesmotivatie ondersteunt door met hen te zoeken naar boeken die echt bij hen passen en eventueel ook door luisterboeken aan te bieden. Als kinderen heel moeizaam zelfstandig lezen kunnen ook gedurende een paar maanden makkelijk lezen boeken gebruikt worden, en ook tutor- en duolezen zijn een optie. Het dagelijks lezen in een vrije keuze boek is essentieel voor de opbouw van kennis en begrijpend lezen. Naast luisterboeken zijn populaire serieboeken vaak uiterst geschikt om het lezen op gang te krijgen. 

Belangrijke criteria voor vrije keuze lezen:

1. De leraar observeert de lezende klas en weet daardoor precies wie er niet (echt) lezen, tussen de observaties door leest de leraar zelf ook in een kinderboek uit de klassenbibliotheek. De leraar doet tijdens de tijd voor vrije keuze lezen nooit iets anders dan observeren of lezen. 
2. De leraar gaat actief in gesprek met leerlingen die niet (echt) lezen om te achterhalen wat er nodig is om wel aan het lezen te komen (een ander boek dat de leerling wel motiveert, een luisterboek, een tutor, een e-book ...)
3. De leraar leest zelf kinderboeken en blijft op de hoogte van kinderboeken (bijvoorbeeld via de website leesbevorderingindeklas.nl)
4. De leraar helpt leerlingen die niet echt lezen aan boeken die echt bij hen passen (bij voorkeur een serieboek). De leraar gelooft stellig dat er voor ieder kind ergens een (serie-)boek is dat de doorbraak zal betekenen ten aanzien van lezen en leesmotivatie
5. De leraar stimuleert het lezen van alle boeken uit een (populaire) serie voor leerlingen die niet graag lezen, onder meer door hier uit voor te lezen. 
6. De leraar geeft leerlingen de ruimte om hele series uit te lezen als zij dit willen. 
7. De leraar observeert nauwkeurig de kwaliteit van de boeken die gelezen worden (hoeveelheid taal, rijkdom van de taal en kracht van het verhaal) en beweegt leerlingen om rijkere boeken te gaan lezen als dat mogelijk lijkt, na het uitlezen van een serie.
8. Kinderen hebben altijd twee boeken op de bank tijdens vrije keuze waardoor er altijd een reserve boek is
9. Het is stil in de klas, en er wordt niet gelopen tijdens het vrije keuze lezen. Een nieuw boek uitzoeken is niet nodig (door het reserveboek) en niet toegestaan
10. De leerlingen schrijven titel en auteur op van boeken die ze uit hebben, en geven die boeken een cijfer, dit doen ze in een klassenmap die voor iedereen toegankelijk is.
11. Leerlingen lezen nooit een boek uit dat tegenvalt.
12. De leraar stelt de klas aan het einde van vrije keuze lezen (laatste vijf minuten) een vraag en een vervolgvraag en geeft de leerlingen even de tijd om hier in tweetallen over te praten. Daarna beantwoorden één of twee leerlingen de vraag klassikaal. Bijvoorbeeld: wie heeft iets heel spannends gelezen? wat was er zo spannend aan? of iets heel grappigs? of: wie zou je willen zijn in het boek dat je leest? waarom? Wie wil reclame maken voor zijn/haar boek? Waarom?  Leerlingen geven daarbij altijd aan welk boek zij lezen. Het doel van deze werkwijze is om andere leerlingen te interesseren voor de boeken waarover verteld wordt. 
13. De klas houdt samen een top 10 bij van populaire boeken, die duidelijk zichtbaar is in de klas en regelmatig wijzigt. 
14. De leraar vertelt over het boek dat hij/zij zelf leest en stelt het ter beschikking van de klas zodat leerlingen het ook kunnen lezen.
15. Voorgelezen boeken (zie punt 3) worden toegevoegd aan de klassencollectie.  
16. Een half uur vrije keuze lezen per dag vraagt vaak een paar weken gewenning. Het is belangrijk om dat vol te houden. Als er eenmaal leesroutine is ontstaan bij de leerlingen, is de sfeer vaak heel prettig. De inzet van de docent is om er voor te zorgen dat iedereen geëngageerd aan het lezen is. Of dat nu is in een fysiek boek, of in een luisterboek of samen met een ander. 
17. Er zijn in de klas geluidsbeperkende koptelefoons aanwezig voor kinderen die dat nodig hebben om zich te concentreren tijdens het vrije keuze lezen. 

3. Dagelijks voorlezen in alle groepen rondom geschiedenisthema

Dagelijks voorlezen: kies twee hele fictieboeken van goede kwaliteit (sterk verhaal, rijke taal, boeken die voor de meeste kinderen niet zelf heel makkelijk te lezen zijn) bij het thema dat aan de orde is bij geschiedenis. En lees die fictieboeken integraal voor aan de klas. (dus per thema minstens twee hele voorleesboeken). Zorg dat je niet langer dan 2-3 weken doet over ieder boek. Pas daar je voorleestijd hieraan aan. Praat met kinderen over deze boeken en breng ze in verband met het geleerde bij de zaakvakken. Je brengt zo de kennisontwikkeling op gang. Boeken bij thema’s vind je hier: https://www.jeugdbibliotheek.nl/ en https://leesbevorderingindeklas.nl

Belangrijke criteria voor voorlezen:

1. De leraar leest dagelijks voor
2. De leraar zo vaak en lang voor dat het boek binnen 2 weken (maximaal 3) uit is
3. De leraar kiest een voorleesboek dat de meeste kinderen niet zo snel zelf zouden kiezen omdat het relatief moeilijk is voor zijn/haar doelgroep en erg rijk van taal. Het voorleesboek heeft een sterk verhaal dat de aandacht goed kan vasthouden. Dit is vaak niet het geval bij non-fictieboeken. De leerkracht let er ook op dat het voorleesboek prettig voor te lezen moet zijn en probeert dat van te voren uit. 
4. Als de leraar voorleest, legt hij/zij niets spontaan uit. De leraar doet dit alleen als leerlingen er om vragen of ernstig in verwarring lijken. Sterke verhalen leggen zichzelf (uiteindelijk) uit en worden zwakker als zij onderbroken worden met uitleg. Voor en na het voorlezen kan er soms even ruimte genomen worden voor een kort gesprek met de leerlingen over het boek. 
5. De leraar leeft zich tijdens het voorlezen hoorbaar in in het verhaal, zonder te overdrijven/te acteren. 6. De leraar en de leerlingen genieten zichtbaar van het voorlezen. Leerlingen vragen in overgebleven minuten aan de leraar om verder te gaan met voorlezen omdat zij graag willen weten hoe het verhaal verder gaat. 

4. Tijdverdeling

Vrije keuzelezen en voorlezen kosten tijd. Die tijd is goed besteed door de grote invloed op de taal- kennis- en begripsontwikkeling. De vraag is natuurlijk, waar haal je deze tijd vandaan? Tijdwinst wordt bereikt door voor taal/lezen helemaal geen tijd te besteden aan oefensoftware. Beperk daarnaast ook het methodegebruik voor taal. En gebruik helemaal geen methodes voor voortgezet technisch lezen en begrijpend lezen. Die tijd wordt veel beter besteed aan het lezen en voorlezen van hele boeken. Besteed daarnaast veel tijd aan de zaakvakken en verrijk die middels de voorgelezen boeken. Kennis van de zaakvakken is uitermate belangrijk voor begrijpend lezen. 

5. Zaakvakmethode

Ga ter voorbereiding op Focus op zoek naar een zaakvakmethode die rijk en thematisch is opgebouwd met diepgaande conceptuele thema's die 6-8 weken duren. Let er daarbij op dat deze methode veel rijke bronnen (o.m. boekenlijsten, rijke teksten, interessante filmpjes, websites en uitdagende opdrachten) bevat rondom de thema's. 

Tot slot

De stap naar Focus, en geïntegreerd taal- en zaakvakonderwijs is relatief makkelijk te maken als bovenstaande punten goed zijn gerealiseerd. In één van onze volgende blogs zullen we ingaan op de volgende stappen naar Focus/ geïntegreerd taal- en zaakvakonderwijs. 


vrijdag 11 december 2020

Leesbegrip toetsen bij begaafde leerlingen

Vraag van een student
Een pabo-student mailde ons met de volgende vraag over de score van begaafde leerlingen op de LVS-toets leesbegrip. We denken dat veel leraren soortgelijke vragen hebben.  

Ik ben Alice, derdejaars pabo-student. Op dit moment ben ik bezig met een zorgplan voor een hoogbegaafde leerling. Ik had hier een vraag over. Ik heb mijn docent Nederlands benaderd met deze vraag en hij verwees mij door naar u. Wellicht dat u mij kan helpen.

Ik volg de minor Educational Needs en ik heb een zorgplan ontwikkeld voor een leerling. Deze leerling is hoogbegaafd en scoort op bijna alle vakken uitmuntend. Alleen op het vak begrijpend lezen scoort hij laag. Dit is best wel vreemd. Ik heb zelf helaas nog geen onderzoek kunnen doen omdat ik geen stage kan lopen. Mijn coach en de ib-er van mijn stageschool hebben wel al verschillende toetsen geanalyseerd en hem op laten schrijven wat hij precies doet bij het maken van de toetsen. Hieruit concluderen zij dat hij veel te ver doordenkt bij het beantwoorden van een vraag. Dan is hij bij wijze van spreken al bij het antwoord, maar redeneert hij toch nog verder want 'wat als'. 

Mijn vraag aan u is, of u misschien tips heeft voor theorie hierover? Ik wil namelijk nog kijken wat ik hier aan kan doen in mijn zorgplan. Ik kan zelf geen theorie vinden over dit probleem, het te ver door redeneren. 

Hopelijk weet u wel iets wat ik kan gebruiken of dat u tips heeft van hoe ik dit het best kan begeleiden!

Het probleem
Dit is een hele bijzondere en een typisch Nederlandse vraag. Een vraag ook die heel veel leerlingen betreft. Wat doe je met leerlingen van wie je weet dat ze goed zijn in leesbegrip (omdat je dat iedere dag ziet), maar die de leesbegripstoetsen niet goed maken?  

Laten we eens kijken naar de leesbegripstoetsen. Daar komen we verschillende problemen tegen. 

*Er worden meerkeuzevragen gesteld waarvan alleen de antwoorden die aansluiten bij letterlijk tekstbegrip of letterlijke tekstinterpretatie goed worden gerekend (zie Cito, 2016). De leerlingvolgsysteemtoetsen voor leesbegrip laten dus vooral zien hoe vaardig leerlingen zijn in het opzoeken van letterlijke informatie in de tekst. Vaak lezen ze niet eens de hele tekst, maar zoeken ze per vraag een tekstgedeelte op en kiezen voor een antwoord. Goede begrijpend lezers die gestructureerd en gefocust zijn in hun werk komen hier een heel eind mee. Voor goede begrijpend lezers die minder focus hebben, is het moeilijker. 

*De resultaten van leerlingen zijn afhankelijk van de kennis van leerlingen over de onderwerpen in de teksten uit toetsen (Kirschner, 2019O’Reilly, Wang & Sabatini,2019;Schneider et al., 1989). Als een tekst gaat over een voor hen bekend onderwerp kunnen zwakke leerlingen vaak onverwacht goed scoren, terwijl betere begrijpend lezers soms zwakker scoren dan verwacht omdat de tekst gaat over een onderwerp waar ze niets van weten of dat hen niet interesseert. 

*Goede begrijpend lezers kunnen minder goed scoren -en daar gaat bovenstaande mail over- omdat zij zich gedragen als echte begrijpend lezers en proberen te komen tot een samenhangende en coherente mentale representatie van de tekst, terwijl het de bedoeling is dat ze alleen de vragen bij de tekst beantwoorden. Juist het komen tot samenhang is de kern van leesbegrip (O’Reilly et al., 2018Kintsch, 1998Van den Broek, 2009). 
Scenariotoetsen zouden een goed alternatief kunnen zijn voor de huidige LVS-toetsen voor leesbegrip. Daarbij moeten leerlingen informatie integreren vanuit meerdere inhoudelijk samenhangende bronnen vanuit een echt leesdoel (Shore et al., 2017).

Leesbegrip toetsen
Kortom, de vraag van deze student laat iets ingewikkelds zien in het onderwijs. Hoewel haar leerling slecht scoort op de toets begrijpend lezen, lijkt de vraag of hij teksten begrijpt niet aan de orde. Daar is hij -gezien zijn andere resultaten- goed in. Om dat zeker te weten, kan het volgende nog een indicatie geven voor leesbegrip:

*nagaan hoeveel hij leest (hoeveel boeken heeft hij het afgelopen half jaar gelezen?) 
*nagaan hoe zijn woordenschat is (woordenschattoets LVS) 
*gesprek over een gelezen boek of een tekst om een indruk te krijgen van het begrip
*nagaan hoe zijn resultaten zijn op toetsen voor wereldoriëntatie  

Een handelingsplan op basis van de LVS-score?
Op basis van de lage score op leesbegrip op de toets uit het LVS wil de student een handelingsplan opstellen. Dat is geen goed idee. Handelingsplannen horen niet op basis van LVS-toetsen te worden opgesteld. Deze toetsen dienen slechts als oppervlakkige signalering, waarna moet worden nagegaan of er echt problemen zijn. In het geval van deze leerling faalt niet de leerling, maar de toets. Die laat niet de vorderingen zien op het gebied van leesbegrip, maar enkel het onvermogen om met deze toets leesbegrip te toetsen. Het probleem dat onder de vraag van deze student ligt, is dat we in het onderwijs het behalen van de toetsen als doel zijn gaan beschouwen. Dat is een essentieel verkeerd begrip van de toetsen die slechts als oppervlakkige signalering van problemen dienen. 

Voor deze leerling dus geen handelingsplan voor begrijpend lezen. Om zijn toetsresultaten te verbeteren, omdat dat van belang is voor bijvoorbeeld de overgang naar het voortgezet leesonderwijs, volstaat een simpele uitleg dat de toets heel dom is en alleen om letterlijk in de tekst aanwezige informatie vraagt. Je kunt dat even oefenen met een tekst met vragen die een beetje lijken op het soort letterlijke vragen in de LVS-toets. Besteed er verder niet teveel aandacht aan. Het gaat niet om de toets, het gaat om leesbegrip.



dinsdag 20 oktober 2020

Kennisbasis Nederlands voor de pabo staat leesoffensief in de weg

Een leesoffensief

Het gaat slecht met het leesniveau en de leesmotivatie van Nederlandse leerlingen. We hebben de afgelopen weken uit talloze media-berichten kunnen leren hoe dat komt: van de lessen op de pabo, van pabo-studenten en zittende leraren die niet willen lezen. En natuurlijk van methodes. Het item van Arjan Lubach over begrijpend lezen is in onderwijsland eindeloos gedeeld. Gelukkig gaan we er ook iets aan doen. De subsidiekraan voor de vele leesbevorderingsorganisaties in ons land is wijder opengedraaid en er is door een groot aantal samenwerkende organisaties een Leesoffensief  gelanceerd met een bijhorend manifest. Een concreet actiepunt daaruit: 

 

Alle (aanstaande) leraren (van po tot pabo) en onderwijsassistenten zijn voldoende toegerust om goed en motiverend leesonderwijs te geven; pedagogisch medewerkers weten hoe ze leesbevorderend moeten werken. 

a. In het leesonderwijs staan leesplezier en leesvaardigheid centraal. Leraren laten met uitdagend onderwijs leerlingen ervaren dat lezen geen plicht of verplichting is, maar een recht dat kansen biedt en leuk en spannend is. 

b. Het belang van (voor)lezen moet nog hoger op de agenda van pabo’s en lerarenopleidingen. Ze leiden de leraren van de toekomst op en die moeten van dat belang doordrongen zijn en weten hoe ze leerlingen warm kunnen krijgen voor lezen. 

c. Leraren verbinden het bijbrengen van tekstbegrip aan betekenisvol onderwijs: lezen met als doel iets te weten te komen over onderwerpen. 

d. Ontsluit en deel effectief gebleken lesideeën en -praktijken en betrek kinderen, jongeren en leraren nadrukkelijk bij plannen om het leesplezier te vergroten, bijvoorbeeld als ambassadeurs en rolmodellen. 

e. Elke leraar bezit kennis van het (actuele) boekenaanbod voor kinderen en jongeren.  


Prachtige doelen met een belangrijke rol voor het onderwijs! Maar het valt ons op dat in de hele discussie over lezen nooit de Kennisbasis Nederlands voor de pabo wordt genoemd waar iedere pabo-student verplicht op wordt getoetst. 


Kennisbasis Nederlands

De Kennisbasis werd ooit in het leven geroepen omdat er veel kritiek was op het kennisniveau van pabo-studenten. De hogescholen zelf hebben de inhoud bepaald, maar vanaf het begin is er tijdens alle 'meepraatmomenten' in  het veld van van pabo-docenten kritiek geweest op de Kennisbasis en die is ook gebleven (zie ook deze blog uit 2012 en deze uit 2014). Een belangrijk kritiekpunt was dat de kennis die getoetst wordt grotendeels van algemene en feitelijke aard is en van studenten geen betere taalleraren maakt. Ook komt deze kennis in veel gevallen uit handboeken waarvan de inhoud niet wetenschappelijk onderbouwd is. Dat komt veel voor bij handboeken voor lerarenopleidingen (Scienceguide, 2017). Bovendien was er de angst voor een statische verzameling kennis die haaks staat op de onderzoekende houding die we van pabo-studenten vragen. Een pragmatisch punt van kritiek is erop gericht of het wel terecht is dat de kennisbasistoets voorwaarde is om te kunnen afstuderen. De toets kan vanaf het derde jaar tweejaarlijks gemaakt worden. Op basis van welke gronden belemmeren we het afstuderen als studenten de toets niet halen? En inderdaad, de kennisbasistoets heeft geleid tot zesde- en zevendejaarsstudenten die misschien de sterren van de hemel lezen, maar niet gediplomeerd kunnen worden. 


De kennisbasistoets voor Nederlands is voor een deel gebaseerd op het Referentiekader taal en rekenen en voor een ander deel op 'hoe we het nu eenmaal doen in het taal en leesonderwijs'. De Kennisbasis en de toetsdoelen zijn te vinden op de site Tienvoorde leraar (klik hier voor de inhoud en hier voor de toetsdoelen (toetsgids). Wat je zou verwachten, zijn open doelen die kunnen meebewegen met wetenschappelijke ontwikkelingen (zie bijvoorbeeld de Kennisbasis Nederlands tweede graad). Maar bij de Kennisbasis Nederlands voor de pabo is dat niet het geval. Hoewel er in 2018 een herziening heeft plaatsgevonden, blijft het een logge vergaarbak met informatie die in veel gevallen niet onderbouwd is of waarvan de onderbouwing inmiddels weerlegd kan worden. Bovendien zijn de bij de Kennisbasis behorende toetsdoelen nauwelijks herzien. Logisch ook! Het zou een enorme operatie vergen om het toetsapparaat dat aan de Kennisbasis is gekoppeld, aan te passen. 


Gezien de dalende leesmotivatie en leesvaardigheid, lijkt de Kennisbasis niet te zorgen voor betere taalleraren. In ieder geval is in de Kennisbasis geen sprake van de noodzakelijke impulsen die we tegenkomen in het Leesoffensief. Een voorbeeld: van de tachtig vragen van de toets gaan er drie over jeugdliteratuur. De bijbehorende toetsdoelen zijn de volgende:

 

Literaire genres

De deelnemer weet dat genres op verschillende manieren ingedeeld kunnen worden en kent de criteria die daarbij een rol spelen (op basis van thema, woord en beeld, doelstelling, vorm).

Versvorm en rijm

De deelnemer kent de termen ritme, rijm, eindrijm, gepaard rijm, omarmend rijm, gekruist rijm, gebroken rijm, beginrijm, vaste vormgeving en gedichten zonder rijm en herkent (dit in) verschillende versvormen (elfje, limerick, haiku, sonnet, rondeel, naamgedicht, sms-gedicht, nonsensgedicht, klankdicht, kwatrijn en copla).

Beoordelingscriteria jeugdliteratuur

De deelnemer kent de invalshoeken waarop jeugdliteratuur beoordeeld kan worden (literair, pedagogisch, ideologisch) en herkent deze benaderingen in praktijkvoorbeelden (boekbesprekingen).

 

Als we de informatie uit de eerste twee doelen belangrijk vinden, zou het meer voor de hand liggen dat daar op de havo en het vwo aandacht voor zou zijn dan op de pabo. Als het gaat om de toetsdoelen voor technisch en begrijpend lezen, dagen we iedere lezer van deze blog uit om die in de toetsgids te bekijken. Ze bevatten -om het maar even kort te zeggen- veel waar Arjan Lubach tegen ageert.   

 

Gevolgen voor het curriculum

Op de pabo is maar een beperkt aantal uren beschikbaar voor het vak Nederlands, zeker nu er meer verkorte varianten komen voor zij-instromers. Pabo's gaan verschillend met de Kennisbasis om. Er zijn pabo's die hun hele curriculum erop afstemmen. Zij laten studenten voortoetsen doen om hen zo hoog mogelijk te laten scoren op de echte toets. Er zijn ook pabo's die meer ruimte nemen om andere dingen te doen in hun curriculum -zoals het implementeren van vrij lezen- met als risico dat er minder tijd is voor toetsvoorbereiding en dat hun studenten minder goed scoren op de toets. Bovendien brengen de kennisbasistoetsen onnodig veel druk met zich mee na de wettelijk verplichte toetsen in de wereldoriëntatievakken die al voor de poort worden afgenomen en de eveneens verplichte toetsen taal- en rekenvaardigheid in het eerste jaar. Een reactie van een pabo-student:


Persoonlijk vind ik dat er heel erg veel druk op de kennisbasistoetsen wordt gelegd. Hierdoor is er vanaf het eerste jaar al blinde paniek voor een toets die we pas vanaf het derde jaar mogen maken. Ik vind het heel belangrijk dat de kwaliteit van toekomstige leraren hoog is, maar ik heb het idee dat dit misschien op een andere manier kan worden getoetst.


Een ander probleem is dat studenten kennis moeten kunnen reproduceren waarvan de pabo-docent Nederlands moeilijk kan uitleggen waar ze die eigenlijk voor nodig hebben. Een docent:


Ik zeg altijd: jongens, je moet het vergelijken met het theorie-examen van je rijbewijs. Je weet het, maar dat zegt niet dat je het ook kunt. Ik kan niet met droge ogen tegen ze zeggen: mensen, leer die begrippen uit je hoofd en je wordt een goede leraar.    


Handboeken voor de pabo

Behalve dat de Kennisbasis het pabo-curriculum Nederlands bepaalt, brengt de Kennisbasis nog een probleem met zich mee. Vanwege de toetsing laten pabo's doorgaans alleen handboeken aanschaffen die zich baseren op de Kennisbasis en daarom willen uitgevers alleen maar pabo-handboeken uitgeven waarin de Kennisbasis wordt overgeschreven. Dat betekent dat er in deze handboeken weinig tot geen vernieuwing kan optreden en dat ze inhoudelijk sterk op elkaar lijken. Het vreemde gevolg is dat boeken die wel aansturen op vernieuwing en verbetering van het taal- en leesonderwijs vooral gebruikt worden in post-hbo- en master-opleidingen, door zittende leraren en in de organisaties rondom het onderwijs. Daardoor ontstaat de situatie dat studenten op de pabo getoetst worden op kennis die in nascholingsopleidingen en door leesbevorderende instanties wordt weerlegd. Fijn voor de nascholingsopleidingen, maar niet voor de pabo. 

 

De oplossing? 

De Kennisbasis Nederlands is met de beste bedoelingen gemaakt en herzien en bevat natuurlijk zeker ook begrippen die er voor het taalonderwijs toe doen. Toch is het verworden tot een log systeem van discutabele inhouden dat vernieuwing tegenhoudt en in ieder geval niet aansluit bij het Leesoffensief, al was het maar vanwege de grote investering in het toetsapparaat. We weten dat het in het onderwijs vele malen moeilijker is om iets te ‘uitplementeren’ dan te implementeren, maar het verstrekken van subsidies aan leesbevorderaars buiten het onderwijs terwijl de Kennisbasis Nederlands voor de pabo nog jaren blijft bestaan, is dweilen met de kraan open. Pabo-docenten die doorgaans heel graag zelf meer aandacht zouden willen geven aan lezen en leesmotivatie, zijn met  handen en voeten gebonden. De oplossing? De Kennisbasis -parallel aan de ontwikkeling van curriculum.nu en de nieuwe kerndoelen- herschrijven en zorgen voor open doelen die wetenschappelijke ontwikkelingen kunnen volgen. Geen statische, maar een dynamische Kennisbasis. De toetsen screenen op kennis die er voor toekomstige leraren werkelijk toe doet. En in de tussentijd de kennisbasistoets voor de pabo een tijdje 'on hold' zetten, zodat iedere pabo tijd kan investeren om te lezen en over boeken te praten. Pas dan kan een leesoffensief werkelijk succesvol zijn.    

Deze blog verscheen ook op https://didactiefonline.nl/blog/blonz/geletterdheid-en-schoolsucces 

       

   





   

dinsdag 15 september 2020

Leesachterstand in groep 4 na de lockdown

Groep 4 en Corona

De leerlingen die sinds kort in groep 4 zitten, hebben voor hun leesontwikkeling cruciale maanden op school gemist. Dit zijn de maanden waarin de eerste aanvankelijke leesontwikkeling is afgerond en de leesontwikkeling verder op gang gebracht moet worden door samen veel boekjes te lezen met ondersteuning, door voor te lezen en door te praten over boeken. Lezen is in essentie, na de eerste maanden van het aanvankelijk leesproces, een 'self-teaching mechanism'. Dat wil zeggen, het wordt steeds beter door het vaak te doen.

 

Online lesgeven tijdens de lockdown

Sommige groep 3-leraren zijn daar heel goed op ingesprongen tijdens de lockdown. Ze zochten boekjes uit die bij kinderen pasten en brachten die thuis langs. Ze lieten ouders zien hoe die het lezen konden ondersteunen. Ze presenteerden dagelijks kleine boekreclames tijdens de online lessen, ze gaven online ruimte om over de boeken te praten en hielpen kinderen die hun boekje nog niet fijn vonden om te lezen door een stukje voor te lezen of een ander boekje met hen uit te zoeken. Ze lieten kinderen tekeningen/foto's maken die iets met hun boekje te maken hadden en gaven online ruimte om die te delen. Ze lazen online voor of stuurden de kinderen door henzelf opgenomen voorleesfilmpjes. Ze lieten kinderen online verdedigen dat hùn boek een topboek was. En als het niet goed lukte, telefoneerden ze met ouders om hen helpen bij de leesbegeleiding van hun kind. Deze leraren zetten alles op alles om al hun leerlingen in groep 3 zo veel mogelijk boekjes te laten lezen, zodat het leesleerproces niet in gevaar zou komen. Voor veel leerlingen van deze leraren bleek de lockdown een voordeel voor hun leesontwikkeling. Er was immers meer tijd voor lezen, vooral als het rooster verder niet al te vol was. De leraren in groep 4 hoeven in hun klassen alleen maar voort te zetten wat hun collega in groep 3 heeft ingezet.

Andere leraren werkten net zo hard en vanuit net zo veel zorg met hun groep 3. Maar wat ze deden was  heel anders. Ze maakten mooie online roosters voor ouders en kinderen waarin veel gebruik werd gemaakt van (doorgaans niet zo sterke) digitale componenten van methodes, zo ook van de leesmethodes. Hun leerlingen deden heel veel oefeningen. Ze vulden talloze digitale werkbladen in, maar lazen helaas weinig of zelfs helemaal niet in boekjes. Eenmaal in groep 4 valt dan vaak op dat de groep historisch laag scoort. Leraren vragen zich dingen af als: Is er ooit eerder een groep 4 geweest die met zulke zwakke gemiddelde resultaten uit groep 3 kwam? Het kan toch niet zijn dat juist deze lockdown-groep aanleg heeft voor dyslexie?

Pseudo-dyslexie door Corona? 

Als we niet oppassen wordt de Corona lockdown een aanleiding voor pseudo-dyslexie. Dat wil zeggen dat leerlingen een vorm van dyslexie lijken te ontwikkelen vanwege onvoldoende adequaat onderwijs waardoor niet genoeg boekjes gelezen zijn. Overigens zijn de leesproblemen van deze leerlingen wel heel echt, alleen niet primair veroorzaakt door problemen in hun eigen aanleg. Waarom pseudo-dyslexie bij groep 3-leerlingen in de Corona-tijd dreigt te ontstaan? Omdat op een cruciaal moment van de leesontwikkeling van deze leerlingen wel veel is geoefend met gedigitaliseerde werkboekjes maar veel te weinig is gelezen in echte boekjes. Kinderen leren niet lezen van (digitale) werkboekjes en dat blijkt nu.

 

Wat kunnen we doen?

Gelukkig is er de mogelijkheid tot herstel. Het aanbieden van meer werkboekjes en meer (digitale) training van 'vaardigheden' (bijvoorbeeld met Bouw! of thuis met Squla) is voor de huidige groep 4-leerlingen zeker niet het goede antwoord en al helemaal niet als in de klas ook nog eens weinig of niet gelezen wordt. Ook training van het leestempo is niet wat nu nodig is. Dit soort trainingen leveren weinig op en geven kinderen een verkeerde boodschap over 'lezen' die vaak ook nog eens demotiverend werkt. 

Wat dan wel? De leraar in een groep 4 die getroffen is door 'lockdown leesachterstanden' gaat eerst goed na wat de problemen van een leerling zijn. Als er hele grote moeilijkheden zijn met decoderen (dat wil zeggen dat leerlingen bijna geen letters kennen) dan is intensieve ondersteuning nodig naast het gewone leesprogramma (zie onze blog Lezen in groep 3: na de herfstsignalering). Kennen leerlingen de meeste letters wel, dan zorgt de leraar ervoor dat er tijd voor lezen is in de groep en dat leerlingen positieve ervaringen opdoen met lezen. Dat ziet er als volgt uit:

*In een groep 4 met een lockdown-leesachterstand wordt dagelijks gelezen door meerdere keren verspreid over de dag (30-60 minuten in totaal) met de hele klas een boekje te lezen, het liefst uit een serie die leerlingen aanspreekt, zoals Dolfje Weerwolfje (zie voor geschikte series de jeugdbibliotheek).  Kies boekjes boven het leesniveau van de leerlingen, waar zij echt enthousiast over zijn. Boeken die kinderen echt willen lezen op een hoger leesniveau hebben meer effect op de leesontwikkeling dan boeken op een lager niveau. De leesontwikkeling kan door het geëngageerd lezen van relatief moeilijke boeken met sprongen vooruit gaan. Het engagement staat daarbij wel centraal. Het gaat natuurlijk niet aan om kinderen tegen heug en meug moeilijke boeken te laten lezen. Tijdens het lezen wordt gebruik gemaakt van technieken als voorlezen-koorlezen (de leerkracht leest voor, de leerlingen lezen dezelfde tekst met de leerkracht in koor) of voorlezen-koorlezen-papegaailezen (daar wordt aan toegevoegd dat de leerlingen om de beurten twee zinnen lezen waarbij de eerste gelezen zin een herhaling is van de zin die het kind dat eerder de beurt had, las). 

*Leerlingen die zich tijdens de lockdown goed hebben ontwikkeld en die kunnen en willen stillezen, lezen minimaal 20 minuten per dag aaneengesloten 'vrij'. Er is aandacht voor een brede boekcollectie met boeken op verschillende leesniveaus waarbij kinderen op alle niveaus boeken mogen kiezen die hen aanspreken, ongeacht hun actuele leesniveau. Als deze leerlingen het leuk vinden om mee te doen met het klassikale lezen, bijvoorbeeld omdat ze het boek dat wordt gelezen, geweldig vinden, mag dat natuurlijk ook. 

*Naast het ondersteund of vrij lezen wordt tijd besteed aan het creëren van een positieve leescultuur door interactie. De leerkracht praat met de leerlingen over het klassikale boek dat is gelezen. Leerlingen die zelfstandig lezen geven korte reacties op hun boeken... Dit hoeft niet lang te duren. Een paar minuten is voldoende.  

*De leraar leest iedere dag minimaal 20 minuten voor uit een boek dat de leerlingen aanspreekt. Soms gaan leerlingen helemaal op in het boek dat ze samen met de leerkracht lezen. Dan is het geen goed idee om daarnaast nòg een boek voor te lezen. In dat geval wordt het voorlezen achterwege gelaten en de samenleestijd nog wat uitgebreid. 

Leesproblemen voorkomen

Groep 4-leerlingen een verloren groep als het gaat om lezen? Nee, natuurlijk niet. Maar dit is wel hèt moment om te voorkomen dat het aantal leerlingen met leesproblemen sterk gaat stijgen. 


Zie voor verdere uitleg ook onze blogs 

Groep 3: het laatste gedeelte van het schooljaar 

Lezen en schrijven in tijden van Corona 

Lezen en schrijven in tijden van Corona, een blog voor ouders 

Basisprincipes voor goed (voor)leesonderwijs 

Dyslexie, hoe bestaat het? 

of het artikel Stimuleer korte boekgesprekken.



woensdag 3 juni 2020

Ons boek: 'Rijke taal. Taaldidactiek voor het basisonderwijs'

Waarom een boek?
Het schrijven van onze blog heeft het ons de afgelopen jaren mogelijk gemaakt om op basis van literatuur, praktijkvragen en praktijkervaringen onze ideeën over taalonderwijs op een rijtje te zetten en aan te scherpen. Daarbij gaat veel dank uit naar jullie, onze lezers. Jullie hebben ons geholpen door de blog te lezen en door jullie interesse daarvoor te laten blijken. Ook hebben jullie ons geholpen met vragen en ervaringen die ons vaak bereikten tijdens lezingen, tijdens lessen en via mails. We gingen veelvuldig met leraren, logopedisten en medewerkers van bibliotheken in gesprek over de blogteksten en dachten samen met hen na over de door ons voorgestelde didactieken. Zo initieerden we bijvoorbeeld een leergemeenschap rond de FOCUS-methodiek voor leesbegrip . 

Gaandeweg kregen we de behoefte om meer samenhang in onze teksten aan te brengen dan in een blog mogelijk is. Als we een boek zouden maken, zouden de blogs begrijpelijker worden en het zou zorgen voor een basis om samen met scholen, logopedisten en bibliotheken verder te bouwen aan mooi taalonderwijs. 

Dat boek is er bijna. Op 7 augustus zal het voor iedereen beschikbaar zijn. De titel is: Rijke taal. Taaldidactiek voor het basisonderwijs en het wordt uitgegeven bij Uitgeverij Boom. Het is bedoeld voor studenten en docenten van bacheloropleidingen, zoals de pabo of de opleiding logopedie, voor post-hbo opleidingen zoals remedial teaching of taalcoördinator en voor masteropleidingen, zoals de taalroutes binnen de Master Educational Needs. En natuurlijk is het voor zittende leraren, bibliothecarissen, logopedisten en voor iedereen die van mooi taalonderwijs houdt. Hoewel dit boek voor het basisonderwijs is geschreven, kan het -zolang we daar geen aparte versie voor hebben gemaakt- gemakkelijk vertaald worden naar het voortgezet onderwijs en het mbo. Want wat we in ieder geval geleerd hebben, is dat goed taalonderwijs universeel is. Natuurlijk ziet taalonderwijs voor kleuters er anders uit dan taalonderwijs voor het mbo, maar in de basis verschilt het niet.

Ons boek wil een brug zijn tussen theorie en praktijk. We sluiten in het boek aan bij aanbevelingen van Curriculum.nu. Uiteraard komen er ook elementen in voor uit de Kennisbasis Nederlands voor de pabo. En we verwijzen regelmatig naar het Referentiekader taal. Onze beweringen onderbouwen we met wetenschappelijke bronnen; dat is essentieel voor handboeken voor lerarenopleidingen (Scienceguide, 2017).

Onze visie
We vragen ons in ons boek af hoe het komt dat meestal vooral de betere leerlingen profiteren van het taalonderwijs op basisscholen. Niet toevallig zijn dat juist de leerlingen die opgroeien in talige gezinnen. Zwakkere leerlingen missen eenvoudig de basis voor de metacognitie (leesstrategieën, spellingregels etc.) die wij van hen vragen. Zij zijn veel meer gebaat bij 'gewoon denken' over langer durende rijke thema's en over rijke teksten. We gaan er in ons boek dan ook van uit dat taaldomeinen als lezen en schrijven, spreken en gesprekken voeren, woordenschat, spelling of taalbeschouwing niet op zichzelf staan, maar met elkaar samenhangen. Leerlingen ontwikkelen begrip en woordenschat door binnen thema's te denken, te praten, te schrijven en door interessante opdrachten uit te voeren. Lezen is in goed taalonderwijs een centrale vaardigheid waar veel in moet worden geïnvesteerd. Niet door losse oefeningen, maar door vanuit betekenisvolle inhouden in te zoomen op interessante taalkwesties, leren leerlingen denken over de opbouw van teksten, over spelling of taalbeschouwing.

De hoofdstukken in het kort
In het eerste hoofdstuk beschrijven we onze (onderbouwde) ideeën over taalonderwijs. We bespreken dat de essentie van goed taalonderwijs bestaat uit het bouwen aan een rijke ervarings- en taalbasis. We laten zien dat bij het leren van taal impliciete en expliciete leerprocessen kunnen worden onderscheiden en wat dit betekent voor het gebruik van methodesDaarnaast gaan we in op de vraag waarom lezen en schrijven in onze digitale maatschappij zo belangrijk zijn en geven we een overzicht van wat een taalleraar in huis moet hebben aan kennis en vaardigheden.

In het tweede hoofdstuk is aandacht voor een aantal taalonderwerpen die vaak hot items zijn in scholen en in de pers: problemen en uitdagingen in het taal- en leesonderwijs (Nederlands als tweede taal, dyslexie, TOS, taal- en leesonderwijs aan begaafde leerlingen, self efficacy en executieve functies), organisatie van taal- en leesonderwijs (toetsing, handelingsgericht werken/drielagenmodel, gepersonaliseerd leren, taalbeleid), ICT en 21st century skills en samenwerken met thuis. 

In het derde hoofdstuk is aandacht voor de verbinding van taalontwikkeling met rijke contexten. Daarbij wordt ingegaan op het bouwen van een rijke ervarings- en taalbasis en  
de keuze voor brede thema’s in de onder- en bovenbouw met als doel het stimuleren van de taalontwikkeling. In dat kader laten we ook zien hoe leraren woordenschatontwikkeling kunnen faciliteren.  

In hoofdstuk vier beschrijven we dat het niet om het even is welke teksten je in het onderwijs gebruikt. Alleen rijke teksten leiden tot taalontwikkeling. Maar wat zijn rijke teksten en hoe gebruik je ze op school?  

In het vijfde hoofdstuk staat het leesproces centraal.
Lezen is de belangrijkste vaardigheid die op school wordt geleerd. We besteden in dit hoofdstuk achtereenvolgens aandacht aan de ontwikkeling van geletterdheid bij kleuters, de elementaire leeshandeling in groep 3 en het vloeiend lezen vanaf de tweede helft van groep 3 tot en met groep 8. Daarbij is aandacht voor risicolezers in de verschillende leesfases. Ook wordt ingegaan op de essentiële rol van leesmotivatie. In dit hoofdstuk komen ook aanpakken als LIST, CONNECT, RALFI, RALFI light, Vrij lezen, Ondersteund lezen en Fingerpointreading-husselen-schrijven aan de orde.     

Hoofdstuk zes gaat over (lees)begrip. Zeker nu leerlingen op internet steeds meer ‘skimmend’lezen, is aandacht voor begrijpend lezen op school belangrijk.
De tragere en meer lineaire -onbewuste- leesbegripsprocessen zijn immers essentieel voor het bouwen aan een rijk verbonden ervarings- en taalbasis.  In het kader van luisterbegrip worden in dit hoofdstuk voorlezen en vertellen uitgewerkt. In het kader van leesbegrip en het faciliteren daarvan op school komen actuele kwesties aan bod zoals het inzetten van leesstrategieën of het werken met Close reading. Ook wordt in dit hoofdstuk de aanpak FOCUS op begrip beschreven.  

Net als het werken met rijke contexten en rijke teksten is ook actief denken essentieel voor de ontwikkeling van begrip. Onder actief denken verstaan we het op een creatieve en kritische manier denken over inhouden door te ontdekken en te onderzoeken. Actief denken is een voertuig voor leren.  
In hoofdstuk zeven bespreken we hoe actief denken kan worden vormgegeven in gesprekken (hoe voer je die met leerlingen?), door teksten te schrijven (welke didactieken gebruik je? hoe geef je feedback?) en door te zorgen voor betekenisvolle motiverende opdrachten.    Naast  actief denken over rijke thema’s en rijke teksten, is het mogelijk om te denken òver taal (taalstructuur en taalgebruik). 

In hoofdstuk acht is aandacht voor taalbeschouwing en spelling. In dit hoofdstuk wordt onder meer de spelling-aanpak SPELLET beschreven.

Meer weten?
Zoals gezegd komt ons boek in augustus op de markt. Op deze site vind je extra informatie en kun je het boek alvast reserveren, mocht je dat willen: https://www.boomtestonderwijs.nl/alle-uitgaven/100-9318_Rijke-taal. Als je overweegt het boek met studenten te gaan gebruiken en vóór augustus inzage wilt, neem dan contact op met de uitgever.  



woensdag 8 april 2020

Lezen en schrijven in tijden van Corona: Een blog voor leraren

Bij deze blog hoort een blog voor ouders.  


Wat leren we veel
Wat hebben we als leraren afgelopen weken veel geleerd. We werken met Microsoft Teams alsof we nooit anders hebben gedaan. Er gaat veel mis, maar dat geeft niet, want voor iedereen is dit een eerste kennismaking met online lesgeven. En natuurlijk horen we van leraren over hun ervaringen met hùn klassen. Ook daarvan leren we. Bijvoorbeeld dat het allerbelangrijkste in deze tijd is dàt je contact legt met leerlingen, dat ze het vertrouwde gezicht van hun leerkracht zien en de lege klas. Wat een zorg om al die leerlingen die niet bereikbaar zijn omdat ze geen devices hebben of geen WIFI. Wat we ook zien, is dat online werken veel beter gaat als er al een online routine bestaat. Eén van onze e-learning-studenten in Thailand die de leerroute Expert taal/dyslexie volgt, werkt bijvoorbeeld altijd al met een digitaal portfolio (Seesaw) en dat gaat nu gewoon verder. Om mee te nemen naar de toekomst: laten we e-learning een vaste plaats geven in onze klassen. Leerlingen kunnen hun werk vanaf nu verzamelen in digitale portfolio's, met zieke leerlingen kunnen we contact leggen met Teams of Google classroom. En minimaal één van de jaarlijkse studiedagen gaat worden ingevuld met het experimenteren met online tools met de collega's, maar ook met de leerlingen die thuis zijn. En dan graag met een beperkt aantal tools, want wat we ook leren is dat het aantal e-learning tips dat over ons wordt uitgestort, duizelingwekkend is. En ook niet altijd even zinvol. Dat blijkt wel uit deze mooie post van Stefan Gijsbertsen op Linkedin (3 april 2020):
  
"Ik schrik een beetje van de 'ondersteuning' vanuit de onderwijskundige hoek op diverse social media. Het edi-model (model directe instructie EvK)heeft inmiddels ook een thuisonderwijs variant blijkbaar. De vragen waarop antwoorden worden gevonden is toch weer in de categorie van controle, grip op het leren, behalen van doelen. Ik zie het met lede ogen aan. Wellicht kunnen we deze tijd benutten om te experimenteren met de idee dat het pedagogische proces zich niet laat grijpen. Meer dan ooit worden we geconfronteerd met het feit dat een leerling ten diepste een kind is. In filosofische zin een subject in plaats van een object. Iemand die zelf keuzes maakt. Daarom mag de focus wat mij betreft liggen op wat je geeft, en minder op wat dat op zou moeten leveren. Dus een oproep aan alle meesters en juffen: jullie kennen jullie leerlingen heel goed. Geef wat je denkt dat ze nodig hebben (mail, bel, stuur een kaart, spreek aan, schud wakker) ...en dan maar hopen. Hopen dat de ander aan kan nemen wat je geeft. Deze crisis levert dan misschien op dat we inzien dat onderwijs geven wederkerig is. Je hebt de andere (ontvangende) partij nodig om samen verder te komen."

Deze schrijver heeft gelijk. We zien hoe in Corona-tijden het invullen van lesjes in werkboeken hoogtij viert. En dat er heel veel instructiefilmpjes worden gemaakt om ouders te ondersteunen bij het geven van uitleg bij die lesjes. En dat ouders die instructie lang niet altijd begrijpen omdat ze nu eenmaal niet zo goed op de hoogte zijn van de geheimtaal die er bestaat tussen educatieve uitgevers en leraren. Het is maar de vraag hoeveel je als leerling leert van het relatief zelfstandig invullen van werkboekjes en methode-software. Waarschijnlijk niet zoveel (Allington & Gabriel, 2012; Cheung & Slavin, 2012; OECD, 2015). En hoe gemotiveerd je raakt van het thuis oefenen van de persoonsvorm.

Maar gelukkig gebeuren er ook mooie dingen. Er worden heel veel voorleesfilmpjes opgenomen waar kinderen lekker thuis naar kunnen luisteren. En een mbo-leraar heeft eindeloos boeken in enveloppen gestopt om ze naar haar studenten te sturen. Logisch dat er in het begin van Corona-crisis vooral met werkbladen werd gewerkt. Laten we vanaf nu als het gaat om taal overstappen op Corona-lezen en Corona-schrijven en de leesstrategieën en de spellingregels even laten voor wat ze zijn.      

Corona-lezen en Corona-schrijven
We staan niet alleen in ons pleidooi. Er zijn al veel tips voor ouders (zie deze prachtige blog op duurzaamonderwijs.nl of de lijst met tips verzameld door Joanneke Prenger (SLO) waar lezen en schrijven aandacht heeft. Maar we horen ook de zorg van leraren dat ze weinig zicht hebben op wat leerlingen doen als ze lezen (en schrijven). Bij werkboeken en software zijn instructie en output duidelijk, bij lezen en schrijven niet.   

1. Voorlezen en lezen zijn belangrijk voor taalontwikkeling    
Veel ouders denken dat het maken van werkbladen, het oefenen met oefensoftware en het snel lezen van woordrijen de belangrijkste onderdelen zijn van het taalonderwijs. Vertel ze dat het niet erg is om deze dingen een dagje over te slaan als het even niet lukt. En dat het meer impact heeft op de resultaten van hun kind als ze gaan voorlezen of hun kind motiveren tot zelf lezen (zie de blog voor ouders). Vertel ze hoe zinvol het is voor de woordenschat, het begrip en de leesvaardigheid van leerlingen om iedere dag minimaal 20 minuten voor te lezen en een kind iedere dag minimaal 30 minuten zelf te laten lezen (of luisteren naar een luisterboek). Vraag ouders om samen met hun kinderen een lijstje te maken van de boeken die gelezen worden. Ze kunnen bij ieder boek schrijven of hun kind dat wel of niet de moeite waard vond en waarom. 

2. Voor ieder kind een boek 
Zorg ervoor dat ieder kind de beschikking heeft over boeken. Zorg voor een uitleensysteem van papieren boeken via school. De openbare bibliotheek heeft het aanbod aan luisterboeken dat online via luisterbieb geleend kan worden flink uitgebreid. Daarvoor is het niet nodig dat je lid bent van de bibliotheek. Voor kinderen tot 18 jaar is dat lidmaatschap overigens gratis. Voor wie lid is van de openbare bibliotheek zijn ook e-boeken te leen, en inmiddels zijn er tot 10 mei ook boeken te leen als je geen lid bent via de thuisbieb app. Op de sites jeugdbibliotheek.nl (voor alle leeftijden) of leesbevorderingindeklas.nl (voor de bovenbouw van het basisonderwijs) kunnen ouders ideeën opdoen voor het ondersteunen van de boekkeuze van hun kind(eren). Ze kunnen er bijvoorbeeld zoeken op thema, of zoeken naar series die aansluiten bij de interesses van hun kind(eren).

2. Als leraar voorlezen
Ga verder met het boek dat je toch al aan het voorlezen was in de klas. Neem geluidsbestanden op met je mobiele telefoon of filmpjes (bijvoorbeeld via Teams) en stuur die naar ouders. Of zet ze op de site van de school. Zo kunnen leerlingen naar een door jou voorgelezen boek luisteren. Als leerkracht van de kleuters en van groep 3 kun je prentenboeken scannen en die via Microsoft Teams voorlezen. Uit de leesboekjes van groep 3 kun je ook voorlezen, zodat leerlingen iedere dag een pagina herhaald kunnen lezen. Ze luisteren naar jouw stem, lezen mee en lezen de bladzijde na een tijdje oefenen, zelf.

3. Gebruik maken van luisterboeken
Vertel ouders dat het luisteren naar luisterboeken net zo zinvol is als het lezen van boeken. Stimuleer ze om de app luisterbieb te gaan gebruiken. Je mag lekker alleen luisteren, je hoeft niet mee te lezen. Dat laatste kan weer wel met Yoleo (gratis te gebruiken als je lid bent van de bibliotheek). Internet staat vol met digitale prentenboeken (via Bereslim of gewoon via Youtube). Ook daarvan kan gemakkelijk een linkje naar huis.  

4. Denken over lezen
Hoe houd je er zicht op of leerlingen ook echt lezen? Gebruik Skype of Teams om iedere dag tien minuten met een groepje van zo'n vijf leerlingen in gesprek te gaan over de boeken die ze lezen. Laat ze vertellen welk boek ze lezen en vertel welk boek je zelf leest. Om te voorkomen dat het gesprek tot een verzameling korte boekpresentaties verwordt, kun je praten aan de hand van een stelling (zie hieronder (Van Koeven & Adamsky, 2016)).
Je kunt ook gebruik maken van padlet.com om met leerlingen te communiceren over hun boek. Dat gaat heel eenvoudig (zie deze blog).

*Maak met padlet een foto van de kaft van je boek.
*Schrijf op welke persoon in je boek je nooit zou willen zijn en waarom niet.
*Neem een filmpje op (door op de drie puntjes te klikken en dan op camera) waarin je vertelt wat je voelt bij je boek (krijg je er kippevel van, moet je lachen of juist huilen), leg uit waarom.
*Maak met padlet een foto van iets waarvan jij vindt dat het past bij je boek.

Als je ervoor kiest dat leerlingen op elkaar kunnen reageren, geef je ze bijvoorbeeld de volgende opdrachten:
*Vertel van de boeken van drie andere kinderen of je die ook zou willen lezen. Waarom wel of niet.
*Van welk boek van één van de andere kinderen denk je dat het op jouw boek lijkt en waarom?

Je kunt ook via Socrative, Kahoot of Quizlet met de stellingen werken. 

5. Teksten schrijven loont 
Van schrijven komt het niet altijd op school. De Corona-crisis is een mooie manier om daar een start mee te maken. Het zelf schrijven van teksten helpt leerlingen verder met taal. Schrijven kan op allerlei manieren.

*Zo kunnen leerlingen in een mooi versierd schrift een 'writers notebook' bijhouden (kijk voor voorbeelden op internet)
*Laat ze digitaal een logboek bijhouden waarin ze vertellen wat ze iedere dag meemaken of waarin ze vertellen over de Corona-crisis
*Spreek een filmpje in waarin je vertelt over waarom en hoe de Nieuwsbegriptekst of het jeugdjournaalitem van die week jou aan het denken zette. Vertel over het filmpje en de tekst en lees de tekst in het filmpje voor. Vraag de leerlingen dan het filmpje te bekijken en de tekst te lezen. Bedenk er een mooie schrijfopdracht bij: Schrijf een brief aan... Maak een krantenbericht over... Vertel wat jij zou doen als dat jou zou overkomen... 

Leerlingen kunnen hun teksten of foto's daarvan plaatsen in een padlet, op een besloten facebookpagina, in een blog (bijvoorbeeld via blogger) of via een andere tool. Als leraar kun je reageren op de bijdragen van leerlingen en feedback geven. De teksten van de leerlingen kunnen ook een mooi uitgangspunt zijn om verder in te gaan op spelling en zinsbouw.

Op naar prachtig onderwijs
Laten we deze Corona-tijden gebruiken om na te denken over echt goed taal- en leesonderwijs en laten we daar straks -als alles weer gewoon is- mee verder gaan. Als we alle denkkracht die er nu is, straks ook blijven gebruiken, zijn we op weg naar prachtig onderwijs.

vrijdag 20 maart 2020

Lezen en schrijven in tijden van Corona. Een blog voor ouders.

In deze blog maken we gebruik van een eerdere blog over lezen in de zomervakantie. 

Thuisonderwijs: boeken lezen en schrijven
Het is nog maar een eerste week dat alle scholen dicht zijn vanwege de Corona-crisis, maar het lijkt erop dat het online leren een enorme boost krijgt. Via social media worden volop handige tips en links gedeeld en leraren in alle onderwijsniveaus zijn aan het uitproberen hoe ze online kunnen lesgeven. Daarbij zijn ze afhankelijk van ouders die handen tekort komen om thuis het ene kind op weg helpen met rekensoftware en het andere met een taallesje.

Hoewel kinderen waarschijnlijk de eerste paar dagen nog blij met hun werkboeken, werkbladen, tablets of laptops aan de keukentafel zitten, is het misschien niet zo eenvoudig om hen te blijven motiveren voor het invullen van oefeningen en voor het lezen van werkbladen met woordrijen. Goed nieuws: er zijn twee dingen waarvan we zeker weten dat ze effect hebben op het leren en op de taal/leesontwikkeling: het (voor)lezen van boeken en het schrijven van teksten. Ook wij wagen ons hier aan tips, in navolging van deze prachtige blog op duurzaamonderwijs.nl en de lijst met tips verzameld door Joanneke Prenger (SLO).

Als de oefeningen in werkboekjes of op de computer je kind te veel worden: ga dan (voor)lezen of maak samen teksten. Realiseer je dat je daarmee grote impact hebt op de taalontwikkeling van je kind. Lezen, voorlezen en schrijven hebben uiteraard ook veel meer effect op de taalontwikkeling dan televisie kijken, gamen of netflix. Bovendien kunnen lezen, voorlezen en schrijven ook ontspannend zijn.

1. Zorg ervoor dat je boeken in huis haalt die passen bij jouw kind  
Als ouder ken je je kind beter dan wie ook. De beschikbare boeken ken je misschien minder goed maar een goede boekhandel kan je prima helpen bij het kiezen. Op de sites jeugdbibliotheek.nl (voor alle leeftijden) of leesbevorderingindeklas.nl (voor de bovenbouw van het basisonderwijs) kun je ideeën opdoen. De openbare bibliotheek heeft het aanbod aan luisterboeken dat online via luisterbieb geleend kan worden flink uitgebreid. Daarvoor is het niet nodig dat je lid bent van de bibliotheek.  Voor wie wel lid is van de bibliotheek zijn ook e-boeken te leen. Voor kinderen tot 18 jaar is dat lidmaatschap overigens gratis.

2. Lees voor
Kies een boek dat geschikt is om voor te lezen (zie de tips op leesbevorderingindeklas.nl) of vraag advies in de bibliotheek of de boekhandel. Zorg voor een boek dat past bij je kind en bij jou. Lees je aan één kind voor, dan mag het voorleesboek best een beetje moeilijker zijn dat wat een kind zelf kan lezen. Wil je meer kinderen van verschillende leeftijden tegelijk voorlezen:

-kies dan voor verhalen waar oudere en jongere kinderen een rol in spelen (denk aan de voorleesboeken over Sil, Geerten en Mare van Selma Noort)
-kies voor fantasie-verhalen zoals de Gorgels (Jochem Meijer), Dolfje Weerwolfje (Paul van Loon) of Dummie de Mummie (Tosca Menten), natuurlijk Lampje (Annet Schaap) of de boeken van Roald Dahl. Fantasieverhalen zijn minder leeftijdgebonden dan bijvoorbeeld 'schoolverhalen'.
-kies een serie om uit voor te lezen. Kinderen voor wie een boek eigenlijk nog te moeilijk is, kunnen er vaak toch van genieten, omdat ze langere tijd de kans hebben om in het verhaal te raken.

Als je het juiste boek of de juiste serie hebt gevonden, start dan met voorlezen. Iedere dag minimaal 20 minuten, het liefst langer en meermaals op een dag. Geniet samen van het verhaal en als de kinderen de volgende dag naar een andere ouder gaan, geef het boek dan mee. Niet het aantal voorgelezen bladzijden, maar gezamenlijk leesplezier staat centraal! Heb je oudere en jongere kinderen thuis, laat de oudere kinderen dan af en toe een stukje voorlezen aan de jongere.

3. Motiveer je kind om zelf te lezen
Probeer je kind te motiveren om iedere dag zelf te lezen. Met jouw kennis van je kind en sites als jeugdbibliotheek.nl heb je een grote kans om precies die boeken of series te vinden die fantastisch zijn voor je kind. Op jeugdbibliotheek.nl kun je op onderwerp of op serie zoeken. Je hoeft bij het kiezen van boeken om zelf te lezen vanaf groep drie geen rekening meer te houden met het AVI-niveau van boeken, maar natuurlijk wel een beetje met de leeftijd van je kind. Probeer boeken te lenen van vrienden of van school of kijk of een boek bij de openbare bibliotheek beschikbaar is als e-book. Als je kind is gestart in een boek en het valt tegen, bespreek dan waarom en kies samen met het kind één van de andere geleende boeken. Houd samen met je kind een lijst bij van de boeken die met plezier gelezen zijn en noteer ook de boeken die tegenvielen.

4. Motiveer je kind om luisterboeken te beluisteren 
Is je kind minder gemotiveerd voor lezen of is het moe van de hele nieuwe situatie die rond de Corona-crisis is ontstaan? Ben je zelf moe van het lesgeven? Laat je kind lekker luisterboeken luisteren. Die zijn gratis te leen via de luisterbieb-app. Juist ook luisterboeken zorgen voor een grotere woordenschat, voor meer leesbegrip en zelfs voor toename van de leesvaardigheid. Kinderen die luisteren naar boeken hoeven niet mee te lezen. Ze mogen gewoon lekker luisteren. Ze kunnen ook gratis luisteren via Yoleo.

5. Theaterlezen
Theaterlezen is heel geschikt als je meerdere kinderen in huis hebt, ook van enigszins verschillende leeftijd. Dit kun je doen met speciale boeken die daarvoor zijn gemaakt, maar je kinderen kunnen vanuit een favoriet boek, met een beetje ondersteuning van jou, ook een stukje script schrijven (dit is het uitgeschreven gesprek van de karakters in het boek). Zij oefenen dan niet alleen het lezen, maar ook het schrijven. En dat allemaal om tot een mooie gelezen uitvoering van het script te komen, waarbij zij zich inleven in de karakters. Het gaat daarbij puur om het gelezen gesprek, er zijn verder geen theater spullen of verkleedkleren bij nodig. Het is heel erg leuk om de uiteindelijke 'uitvoering' te plannen en ook op te nemen op video met behulp van de mobiele telefoon. En dan te sturen naar grootouders of andere familieleden.

6. Als lezen moeilijk is: voorlezen plus...  
Als je kind in groep 3 of 4 zit, als lezen moeilijk is en je wilt graag hulp bieden, dan kan dat op de volgende manier. Je kiest een boek waar het kind enthousiast over is (kies op leeftijd, niet op AVI-niveau) en je gaat voorlezen. Op ieder moment waarop dat maar mogelijk is: 's avonds voor het slapengaan, op verschillende momenten overdag. En dan, beetje bij beetje, en heel voorzichtig, eens vragen of je kind, nadat jij het gelezen hebt, ook eens een klein stukje wil lezen. 'Hier staat toch zoiets geks (of zo'n gek woordje): moet je zien, ik lees het even.. En nou jij, durf je dat? :-) '. Als je hetzelfde woord of dezelfde uitdrukking weer tegen komt in het boek laat je dat je kind weer even lezen. Daarom is het natuurlijk handig om iets te kiezen (een woordje of een uitdrukking) dat veel voorkomt in je boek.

Een tijd lang doe je dat zo. Vraag niet te snel aan je kind om meer te lezen, zet het niet onder druk. Als je kind wat vrijer wordt met lezen, kun je af en toe vragen om een ander grappig woord of een andere grappige uitdrukking te lezen. Of de laatste zin van iedere bladzij. Waar nodig zeg je het gewoon even voor, of zeg je een paar letters voor of lees je zachtjes mee. Zorg in ieder geval dat je kind nooit hoeft te worstelen en let op wat hij prettig/onprettig vindt. Het samen beleven van plezier is essentieel. Schakel terug naar gewoon voorlezen als je toch druk ziet ontstaan bij je kind.

Maak er een gewoonte van om te stoppen met voorlezen op het moment dat jullie heel erg nieuwsgierig zijn naar het vervolg. Veel kinderboeken (denk bijvoorbeeld aan Dolfje Weerwolfje) hebben goede cliffhangers waardoor er veel van dit soort nieuwsgierige momenten zijn. Als je al meer dan een week (of langer) voorleest in het boek en je kind erg nieuwsgierig wordt (en niet wil dat je stopt met lezen), kun je het aanbieden dat het een klein stukje zelf verder mag lezen (al dan niet samen met jou) zodat het er achter kunt komen wat er gebeurt. Als je kind alleen verder leest, zeg je er gewoon op een lachende manier bij dat het niet te ver mag lezen, want dat jij anders niet meer weet wat er gebeurt. Natuurlijk meen je dat niet en is het de bedoeling om op een grappige manier een beetje uit te dagen. 'Wat??? Heb je zo ver gelezen?? En ik dan?? Ik wil ook weten wat er gebeurt...'

Op deze manier probeer je uiteindelijk, soms pas na meerdere weken, je kind te 'lanceren' in een boek dat het erg mooi vindt, zodat het uiteindelijk steeds meer zelf begint te lezen. Leesplezier blijft hier steeds het uitgangspunt. Als dat er niet is, doe je er alles aan om het wel tot stand te brengen. Een ander boek, andere momenten van de dag, luisterboeken, een stukje film van een boek waarna je het boek gaat voorlezen, iemand anders die voorleest, ..... Ergens zijn ook voor jouw kind een boek en een voorleessituatie die het verschil zullen maken! En wie weet, kan dat juist nu gebeuren, en dan levert deze periode jullie iets heel moois op.

7. Ga teksten schrijven
Het zelf schrijven van teksten helpt je kind ook verder met taal. Koop een mooi schrift en vertel dat jullie een 'writers notebook' (een mooi versierd schrijfboek) gaan maken. Bekijk op internet hoe zo'n notebook eruit kan zien. Spreek met je kind af dat het elke dag iets in het notebook gaat schrijven. Natuurlijk kan zo'n notebook ook een wordbestand zijn. Je kunt er ook voor kiezen om samen met je kind een tijdschrift te maken, bijvoorbeeld via de gratis app jilster. Kleuters kunnen ook al heel goed schrijven. Vaak kiezen ze voor een combinatie van tekeningen en zelfbedachte woorden. In een notebook kun je alles schrijven wat je maar wilt: gedichtjes, verhalen, krantenberichten... Als je het iets gestructureerder wilt, heb je misschien iets aan de volgende ideeën:

-Spreek met je kind af dat het een logboek gaat bijhouden van de corona-crisis. Iedere dag doet het verslag van de ontwikkelingen. Het kan gebruik maken van krantenberichten en berichten op internet. Het kan ook een prikbord maken via padlet.com. Daar kan weer een mooie pdf van gemaakt worden.
-Spreek met je kind af dat jullie samen een dagboek gaan bijhouden. Iedere dag schrijft je kind een dagboektekstje over wat er gebeurd is die dag en over hoe het zich voelde. Iedere avond schrijf je als ouder een reactie. De volgende dag kan je kind weer op jou reageren en een nieuwe tekst schrijven.
-Voor de poes of een ander huisdier is nu ook alles anders. Vertel je kind dat jullie alles wat er gebeurt door de ogen van de poes of de hamster gaan bekijken en dat jullie elke dag een stukje gaan schrijven.
-Bespreek met je kind dat oma in deze crisis heel veel alleen is. Laat je kind iedere dag iets schrijven over de dag en verstuur de teksten digitaal of per post naar oma.
-Laat je kind schrijven over het boek dat het aan het lezen is. Het kan een interview maken met een persoon naar keuze. Het kan beschrijven waarom het vindt dat één van de personages in het boek op hem of haar lijkt of juist niet.

Vanaf groep 4 is het goed om teksten eerst in klad te schrijven en dan nog eens kritisch te bekijken. Eerst kijk je natuurlijk naar de inhoud van de tekst. Daarbij is het belangrijk je kind te prijzen om zijn ideeën en samen na te denken of het nog mooier kan. Omdat de tekst naar oma gaat of ook door anderen wordt gelezen, is het natuurlijk belangrijk dat er geen spelfouten in staan. Bespreek de eventuele fouten in de tekst en bekijk hoe het beter kan.         

8. Radiolezen/Televisielezen
Kies met je kind uit zijn/haar zelfgeschreven teksten. Oefen samen met hem of haar het mooi voorlezen van de zelf geschreven tekst en maak er vervolgens een geluids- of video-opname van met je mobiele telefoon. Die kan dan eventueel weer gedeeld worden met grootouders en andere familie of met de leraar op school. Uiteraard bekijk/beluister je de opname ook zelf met je kind om samen trots te zijn op het resultaat.

Plezier
De scholen zijn zeker drie weken dicht en misschien langer. Zorg dat je plezier hebt in het leren samen met je kinderen.