Windesheim

Windesheim

vrijdag 30 juni 2023

Met kinderen studeren in non-fictieboeken

Deze blog is gemaakt met Maria Streefkerk, leerkracht op een basisschool in Amsterdam, docent rijke taal bij de afdeling Educatie van  Windesheim en begeleider van rijke-taaltrajecten op basisscholen.

Tekstsets, waarom ook alweer?

Op onze site https://rijketaal.org/ is de handleiding te vinden van ons leesbegripsprogramma Focus op begrip. In dat programma gaan we ervan uit dat leerlingen taal ontwikkelen doordat ze iedere dag worden voorgelezen uit fictie en verhalende non-fictie van goede kwaliteit bij interessante wereldoriëntatiethema's en door veel tijd in te roosteren voor vrije keuze lezen. In onze Focus-handleiding vertellen we ook dat het lezen van losse teksten maar niet of nauwelijks zorgt voor taalontwikkeling en dat het beter is om meer teksten over hetzelfde thema te zoeken door tekstsets samen te stellen. Een tekstset zorgt ervoor dat leerlingen langer over een thema kunnen lezen zodat ze een kennisbasis bouwen. Een tekstset maakt dat kinderen vanuit verschillende perspectieven leren kijken naar een thema, wat het denken bevordert. En bovendien biedt een tekstset je als leraar de mogelijkheid te zorgen voor scaffolding. Je start met een eenvoudige tekst en vervolgens worden ze moeilijker. Zo betrek je ook de kinderen met minder taalbagage. Hoewel veel leraren vertellen dat het maken van tekstsets steeds gemakkelijker gaat als je het veel doet, zorgt het ook voor hoofdbrekens. Waar haal je de tijd vandaan om die rijke teksten bij elkaar te zoeken?

Rijke non-fictieboeken om samen met kinderen in te studeren

Maria Streefkerk werkt in haar klas al sinds jaar en dag met rijke teksten. Ze maakt gebruik van de principes van Focus, maar naast tekstsets kiest ze ook vaak voor rijke non-fictieboeken die ze samen met haar leerlingen bestudeert. We zijn wel benieuwd naar hoe ze dat doet en of haar werkwijze past binnen Focus. 

Jij hebt wereldoriëntatie, taal en leesbegrip helemaal gecombineerd. Daarbij gebruik je voorleesboeken en naast tekstsets ook vaak rijke non-fictieboeken, waarom eigenlijk?

Maria: Natuurlijk omdat het zoeken van teksten tijd kost, maar dat is niet mijn belangrijkste reden. Ik gebruik wel tekstsets, maar ik heb gemerkt dat die nog beter werken als kinderen al veel kennis hebben over een onderwerp. Om die kennis te verwerven, kun je heel goed al die prachtige non-fictieboeken gebruiken die er zijn. Non-fictieboeken kies je vaak minder makkelijk om voor te lezen zoals je fictie voorleest, maar je kunt ze wel gebruiken als studieboeken. Ik ben me ervan bewust dat je in die boeken misschien de multiperspectiviteit ontbreekt die je in tekstsets vindt, maar ik vind dat daar ook iets tegenover staat. De teksten in goede rijke informatieve boeken hebben een vanzelfsprekende samenhang en als je boeken van goede kwaliteit kiest, is er een natuurlijke opbouw in de teksten. Kinderen kunnen er veel van leren.

Eerst maar eens, hoe vind je dat soort boeken?  

Maria: Kennis van kinderboeken is natuurlijk wel de basis. Ik houd zo'n beetje bij welke nieuwe boeken op de markt komen. Dat brengt je ook weer ideeën voor thema’s. Er is onlangs een aantal prachtige non-fictieboeken verschenen, bijvoorbeeld: Het te gekke geldboek van Arwen Kleyngeld dat ik gebruik bij het thema 'arm en rijk', Hoe wij het machtigste dier op aarde werden van Yuval Noah Harari over het thema 'mens en dier' of Erop of eronder van Anne Pek bij het thema Nederland (het zou trouwens ook heel mooi bij het thema 'water' passen). Die boeken vind ik door recensies te lezen en naar De grote vriendelijke podcast te luisteren. Recensies lees ik vaak tijdens het vrij lezen en de podcast luister ik op weg naar mijn werk. Ik heb ook een abonnement op Storytel; de Storytel-boeken luister ik ook in de auto. Om boeken te vinden, kijk ik daarnaast regelmatig op de site rijketeksten.org van de Taalunie waar je boekfragmenten uit rijke teksten non-fictieboeken kunt downloaden. En ik zoek op op https://leesbevorderingindeklas.nl waar je op thema kunt zoeken en bij boeksoorten 'non-fictie' kunt intypen. Het is trouwens handig om de gerenommeerde kinderboekenuitgeverijen te kennen: Ploegsma, Querido, Lannoo, Davidsfonds, Gottmer, Luitingh-Sijthoff, Samsara, Amsterdam University Press, Uitgeverij Nieuwezijds, Lemniscaat, Fontaine Uitgevers en andere... Dat zijn de uitgeverijen waar echt goede auteurs van non-fictie voor kinderen publiceren.   

Hoe bepaal je wat rijke non-fictieboeken zijn? Je hebt ook boeken met heel veel beeld en weinig tekst, prachtig, maar minder bruikbaar. 

Maria: Klopt, lang niet alle non-fictieboeken zijn geschikt. Ik heb boeken met verschillende hoofdstukken en veel tekst nodig, geen boeken vol plaatjes en met kleine tekstkaders. De boeken die ik kies, moeten goed geschreven zijn en je moet ze fijn kunnen voorlezen. Als ze tekstdicht zijn (teveel informatie in een klein stukje tekst) lukt het je niet om ze voor te lezen. Denk trouwens niet te snel dat een boek te moeilijk is of dat kinderen informatieve boeken saai vinden. Ik laat de kinderen in mijn klas ieder boek beoordelen met sterren. We gebruiken een schaal van 5. Informatieve boeken worden altijd hoog gewaardeerd. 3,5 sterren is het laagst.

Hoe gebruik je die non-fictieboeken in in je klas?

Maria: Ik maak een planning van wat ik per week voorlees. Ik lees bij ieder thema minimaal twee fictieboeken voor, vaak zijn het er meer, dat kan prima, want het voorlezen van een fictieboek duurt gemiddeld ongeveer vijf uur. Daarnaast bestuderen we één non-fictieboek. Je kunt fictie tegelijk met informatieve boeken voorlezen, omdat je bij die non-fictieboeken de nadruk legt op studeren. Ik zorg er altijd voor dat de kinderen de tekst van informatieve boeken voor zich hebben. Het liefst heb ik voor ieder kind een exemplaar van een boek, maar ik maak ook wel eens kopieën of ik gebruik het digibord en dan hebben ze de tekst ook voor zich op hun device. Omdat studeren centraal staat, lezen we samen. Ik lees voornamelijk voor, maar ik vraag ook wel eens een leerling om een stukje te lezen. De kinderen die moeite hebben met lezen vraag ik niet. Voor het lezen vertel ik de kinderen wat ze die dag kunnen verwachten van het stuk tekst dat we lezen uit ons studieboek, bijvoorbeeld: 'Vandaag leren we over wat de voor- en nadelen zijn van papiergeld en munten.' 

In Focus is actief denken belangrijk, het denken over teksten. Jij studeert met de kinderen, een overtreffende trap van actief denken. Hoe doe je dat?

Maria: Zoals ik al zei, vertel ik aan het begin van een les altijd wat we gaan leren. Tijdens het voorlezen mogen ze op hun device de tekst die ze belangrijk vinden in relatie tot het doel dat ik heb genoemd, arceren. We lezen alinea voor alinea en na iedere alinea vraag ik of ze al iets geleerd hebben over het doel. Nadat we de hele tekst van die dag hebben gelezen, gaan kinderen in tweetallen of in een tafelgroepje in gesprek over de tekst. Die gesprekken gaan over het onderwerp dat ik van tevoren heb genoemd. 'Wat heb je geleerd? Wat zijn nu de voor- en nadelen van papiergeld en munten?' Ze kunnen de tekst er dan bij houden. Vervolgens praten we er klassikaal over. Ik maak op het bord aantekeningen van wat de kinderen vertellen en die nemen ze over in hun wereldoriëntatieschriftje.  

Daarna krijgen de kinderen -omdat ik weet hoe belangrijk herhaling is- bijna iedere ochtend een starttaak. Dat is een schrijfopdracht waar ze een kwartiertje aan werken als ze de klas binnenkomen. Die starttaak kan gaan over het fictieboek dat ik aan het voorlezen ben over het thema of over het non-fictieboek. Meestal begin ik het jaar met starttaken over de fictieboeken, omdat de kinderen die gemakkelijker vinden. Daar gebruik ik vragen voor uit Rijke taal. Met wie zou ik graag vrienden willen zijn? Welke keuze zou ik zelf hebben gemaakt? De leerlingen hebben ook een literatuurschriftje en daar maken ze de starttaken over het fictieboek in.

Als ik starttaken bedenk bij het non-fictieboek gebruik ik soms schrijfkaders (Eerst wist ik dat…, nu ben ik te weten gekomen…) en ik stel ook vaak vragen: Wat is je opgevallen aan de tekst? Wat zijn overeenkomsten en verschillen? Wat vind je vreemd? Wat gebeurde eerst en wat daarna? Waarom volgde het ene het andere op? Hun starttaak maken de kinderen in hun wereldoriëntatieschriftje, net als de aantekeningen. Ze kunnen natuurlijk altijd terugkijken in hun aantekeningen of in het boek zelf om de vragen van de starttaak te beantwoorden. Ik maak ook regelmatig gebruik van aanvulzinnen als een soort scaffold. Hierna zie je een voorbeeld van de schrijfsels van leerlingen naar aanleiding van een starttaak met een aanvulzin over overeenkomsten en verschillen (Ondanks de grote verschillen tussen cryptogeld en echt geld zijn er drie belangrijke overeenkomsten...). De eerste leerling heeft veel steun nodig, maar schrijft toch deze prachtige zin en de tweede leerling heeft de steun minder hard nodig en maakt er ook een welluidende zin van. 





Voor jou horen bij het studeren rond de non-fictieboeken twee vormen van schrijven. Je geeft de kinderen kleine korte schrijfopdrachten zoals die aantekeningen of die starttaak. Maar daarnaast geef je ze ook langere schrijfopdrachten.   

Ja, ik heb ook langere schrijfopdrachten waarin de leerlingen hun kennis verwerken. Ze maken daarbij gebruik van de zinnen die ze al hebben geschreven in de aantekeningen en de starttaken. Dan krijg je dus dit soort teksten…


Ik denk dat ik het het allerbelangrijkst vind dat alle kinderen dezelfde informatie krijgen. Ze putten allemaal uit dezelfde rijke-taalbron, maar de steun die ze krijgen bij het verwerken van opgedane kennis is verschillend. De uitkomst van de opdrachten verschilt enorm qua niveau, maar dat is niet erg. Ik weet dat alle kinderen gelijke kansen krijgen. Hier een voorbeeld van wat kinderen maakten na het lezen  van het ongelooflijke verhaal van Benjamin Lay. 




Naast het verwerken van kennis in schrijfopdrachten, bekijk ik altijd welke taalopdrachten ik bij het thema kan doen. Bij het thema geld hebben de kinderen spreekwoorden en gezegdes over geld opgezocht en daar een miniboekje van gemaakt. Elk gezegde werd uitgelegd met behulp van geschreven tekst en een tekeningetje. 

Als ouders dan vragen: Wat heb je vandaag gedaan op school? zeggen de kinderen: ‘We hebben het vandaag alleen maar over geld gehad.’ Maar ze doen enorm veel kennis op en ze zijn heel veel met taal bezig. Voor mijn leerlingen is dit een fantastische manier van onderwijs krijgen. Zij komen thuis met verhalen en weetjes waar hun ouders helemaal verbaasd over zijn en die de gesprekken aan tafel ook weer verrijken. 

Toen we over het thema geld werkten, hebben we trouwens ook nog gesolliciteerd bij the Reading Corner. We dachten dat we wel geschikt zijn om boeken voor te lezen en we wilden graag ons eigen geld verdienen. Helaas zijn we niet uitgenodigd voor een gesprek. Toen ouders de brieven van de kinderen lazen, reageerde een vader met: 'Als iemand mij zo’n goede brief zou schrijven, zou ik diegene direct aannemen.' 


Eigenlijk heb je geen wereldoriëntatiemethode en ook geen taalmethode meer nodig als je op deze manier werkt.

Nee, dat klopt, als je rijke fictie en non-fictie met zorg uitkiest bij de thema's die in de Kerndoelen worden genoemd èn als je kinderen daarover laat denken, studeren, praten en schrijven, heb je geen methode nodig. Ik gebruik onze methodes ook bijna niet. Hooguit om eens even flink te oefenen op werkwoordspelling of grammatica. Teksten in fictie- en non-fictieboeken zijn nu eenmaal veel rijker dan teksten in methodes en als je veel boeken en gedichten kent, kun je heel gemakkelijk verbanden leggen en er steeds weer andere teksten bij pakken.