Windesheim

Windesheim

donderdag 6 oktober 2022

Voorlezen als basis voor leesbegrip

Voorlezen, basis voor begrip

Tijdens lezingen praten we vaak over voorlezen of vrij lezen. Regelmatig zeggen leraren nadat ze onze lezing hebben beluisterd: 'wij doen dat eigenlijk allemaal al, wij lezen al iedere dag voor'. En op veel scholen is dat ook zo. Toch zou je je moeten blijven afvragen of dat wat je doet op school werkelijk kwaliteit heeft. Deze blog gaat over voorlezen met kwaliteit.


Als je op de site van Stichting Lezen 'voorlezen' intypt, verschijnen er heel wat hits. We weten natuurlijk al decennia dat voorlezen belangrijk is. Het gros van die hits gaat over het voorlezen aan jonge kinderen. Als ouders thuis dagelijks voorlezen, heeft dat een enorme impact op de taalontwikkeling, maar ook op de sociaal-emotionele ontwikkeling, de verbeelding of zelfs de rekenontwikkeling van hun kinderen. Als leraren op school jonge kinderen dagelijks en herhaald voorlezen, geldt datzelfde. Zo kunnen ze voor taalzwakke leerlingen het geringe taalaanbod van thuis compenseren. Over het voorlezen aan oudere leerlingen is veel minder te vinden. Hoewel we weten dat voorlezen effectief blijft, ook als kinderen ouder worden, zien we dat het dan afneemt, (Monitor Bibliotheek op School, 2019). Dagelijks voorlezen is van belang in alle basisschool-groepen en zelfs in het voortgezet onderwijs!


In onze handleiding Focus op Begrip (aanpak begrijpend lezen) vragen we op een nieuwe manier aandacht voor voorlezen. We zien het voorlezen van hele boeken als een volwaardig onderdeel van een aanpak voor leesbegrip. Dat is goed nieuws, want voorlezen is relatief eenvoudig en het is fijn om te weten dat je een grote stap kunt zetten in het vernieuwen van je onderwijs in leesbegrip door te gaan voorlezen.


Waarom is voorlezen zo belangrijk voor begrip? Voorlezen brengt kinderen in contact met rijke taal en kennis. Hoe groter je taal- en kennisbasis, hoe rijker de mentale modellen die je ontwikkelt en hoe gemakkelijker je teksten zult kunnen begrijpen (Kintsch, 1988, 1998; McCarthy & McNamara, 2021; Alexander et al., 1994; Hwang, 2019). Die taal- en kennisbasis vergroot je door rijke boeken voor te lezen. Dat moeten er minstens twee zijn over hetzelfde thema als je werkelijk de taal- en leesontwikkeling wilt bevorderen. Als je die beide boeken laat aansluiten op je wereldoriëntatie-thema zorg je voor nog meer taal- en leesontwikkeling. Door te luisteren naar verhalende boeken die ze zelf nog niet kunnen lezen, bied je leerlingen veel rijkere taal dan ze normaliter tegen zullen komen op school. Als je twee boeken bij een thema voorleest, creëer je een gemeenschappelijke basis voor taalontwikkeling en begripsontwikkeling voor dat thema. Daarnaast is het zo dat leerlingen door voorlezen hun concentratie en uithoudingsvermogen trainen zodat ze gemakkelijker langere teksten kunnen lezen (Newkirk, 2012, Onderwijsraad en Raad voor Cultuur, 2019).


Voorwaarden

Als je voorlezen wilt inzetten als basis voor leesbegrip, moet dat wel aan een aantal voorwaarden voldoen:


1. Lees iedere dag minimaal 20 minuten voor, liefst 30 minuten. Zo ontstaat een voorleesroutine.


2. Lees 'gewoon' voor. Dat wil zeggen dat je leerlingen meeneemt in het verhaal en dat je het voorlezen niet onderbreekt door aandacht te vragen voor het uiterlijk van het boek, de auteur of allerlei details. Leg geen losse woorden uit, alleen als je er echt niet omheen kunt vanwege tekenen van massaal onbegrip in de klas. Als je afbeeldingen wilt laten zien, beeld ze dan af op het digibord, maar loop niet rond met het boek. Ook speel je geen toneel tijdens het voorlezen. Je zorgt ervoor dat leerlingen het verhaal met aandacht kunnen volgen.


3. Kies een voorleesboek zorgvuldig. Het gaat om boeken met rijke taal die leerlingen zelf niet zo snel kiezen, gewoon omdat ze sneller vallen voor een serieboek of een bekende auteur. Lees een boek altijd eerst zelf voor je beslist of het een goed voorleesboek kan zijn. Je hoeft het niet van kaft tot kaft te lezen, maar je moet wel zeker weten dat het past bij je klas en dat het fijn voorleest. Op leesbevordering in de klas.nl vind je ieder jaar een lijst met topboeken voor in de klas waar veel fijne voorleesboeken tussen staan.


4. Kies het moment van voorlezen zorgvuldig. Prima om tijdens het fruit eten of tijdens de lunch voor te lezen als je samen met je leerlingen helemaal in een boek zit, maar dat is extra. Je loopt immers het risico dat de helft van de leerlingen met iets anders bezig is. Het echte voorlezen is altijd ingeroosterd. Het is een volwaardige lesactiviteit.


5. Wil je echt impact hebben op leesbegrip, verdiep dan je wereldoriëntatiethema's met voorleesboeken. Probeer twee hele boeken voor te lezen per themaperiode (van 6-8 weken) (Block et al, 2009; Merga & Ledger, 2018; Westbrook et al., 2019)). Op leesbevorderingindeklas.nl vind je boeken geordend op thema.


6. Het denken over boeken verrijkt de taalontwikkeling. Ga met de klas in gesprek over het boek aan de hand van een eenvoudige rijke vraag. Kies één vraag per keer, niet meer. Niet de vraag zelf is belangrijk, maar de mogelijkheden die zo'n vraag biedt voor een gesprek. Als je leerlingen vraagt: 'wat vond je mooi in het gedeelte dat ik heb voorgelezen' en je vraagt door, kan er een grote rijkdom aan antwoorden komen. Andere vragen: heb je iets nieuws geleerd? Zou jij dezelfde keuzes maken als ..... (een personage)? Zou jij bevriend kunnen zijn met .... (een personage)?


7. Observeer je klas tijdens het voorlezen. Pas dan kun je zien of wat je doet kwaliteit heeft. Zonder kwaliteit geen taalontwikkeling. Ga in de klassen kijken tijdens het voorlezen en gebruik een observatielijst (zie het eind van deze blog).


8. Leerlingen onthouden nog meer woorden als ze die kunnen uitspreken. Beeld daarom af een toe een pagina uit het voorleesboek af op het digibord en lees die samen met de leerlingen hardop (bijvoorbeeld in koor) of deel kopieën uit die je leerlingen in duo's hardop laat lezen (Westbrook et al., 2018).


En als het niet lukt?

Soms zijn klassen minder gemotiveerd voor voorlezen of individuele leerlingen kunnen zich niet concentreren, misschien omdat ze het verhaal niet begrijpen, bijvoorbeeld omdat ze anderstalig zijn. Wat doe je dan?


ondersteuning bij weinig motivatie en concentratie

-Kies samen met de leerlingen een voorleesboek. Zorg dat je een paar mogelijke voorleesboeken hebt, bespreek de inhoud met de leerlingen en laat ze een keuze maken. Als er geen concensus is, ga dan voor de keuze van de minst gemotiveerde leerlingen.

-Bespreek samen wat leerlingen helpt om zich te concentreren tijdens het voorlezen. Vinden ze het fijn om te tekenen? Welke afspraken gelden dan? Kiezen ze voor een bepaald tijdstip? Vinden ze het prettig om de voorleestijd op te bouwen, van tien naar vijftien naar twintig minuten?

-Kies een spannend boek of een boek dat echt gebeurd is dat leerlingen wel moet boeien.

-Start met voorlezen in het eerste boek van een serie zodat leerlingen nieuwsgierig worden naar hoe het verder gaat.

-Laat eventuele illustraties zien op het digibord. Loop niet rond met het boek, dat leidt erg af.

-Als er erg weinig aandacht is, probeer dan eens of het helpt wanneer iedere leerling een eigen exemplaar van het voorleesboek heeft en wissel het voorlezen af met het zelf stillezen of het in tweetallen hardop lezen van een pagina.

-Lees bij weinig aandacht voor in kleine groepen.


scaffolding bij weinig begrip

-Als leerlingen moeilijk tot begrip komen, kies dan in eerste instantie voor boeken waarin veel handelingen/avonturen plaatsvinden en waarin minder aandacht is voor bespiegelingen of natuurbeschrijvingen. Serieboeken kunnen helpen bij begrip omdat de context en de personages steeds terugkomen. Bij leerlingen die nog heel weinig Nederlands kennen, kun je helemaal in het begin kiezen voor het herhaald voorlezen van prentenboeken, maar zorg wel voor rijke tekst en 'leeftijdsloze' verhalen die ook interessant kunnen zijn voor oudere leerlingen, bijvoorbeeld de Kikker-boeken van Max Velthuijs. Op leesbevorderingindeklas.nl vind je prentenboeken voor oudere leerlingen (die soms geschikt kunnen zijn). Gewoon even 'prentenboeken' intypen.

-Vertel vóór het voorlezen de strekking van het boek zonder de clou te verraden. Introduceer de personages. Laat illustraties met de personages zien op het digibord of als er een film is, de personages uit de film. Laat ook met behulp van illustraties zien waar het verhaal zich afspeelt. Kom niet in de verleiding om losse woorden uit te leggen. Doe dat alleen als het echt niet anders kan.

-Vat voorafgaand aan een voorleessessie de gebeurtenissen van de vorige dag kort samen en vertel in een paar zinnen wat de leerlingen deze keer kunnen verwachten.

-Tijdens het voorlezen kunnen illustraties worden getoond op het digibord.

-Zorg dat er een luisterboek beschikbaar is, zodat voorgelezen fragmenten na afloop of voorafgaand aan een voorleessessie kunnen beluisteren. Als leerlingen graag hetzelfde boek tijdens het stillezen willen beluisteren en zich vervolgens nog steeds kunnen concentreren tijdens het voorlezen, is daar niets op tegen. Herhaling zorgt voor taalontwikkeling.

-Bekijk samen met de leerlingen de film bij het boek. Voorafgaand aan het lezen kun je stukjes uit de film bekijken die passen bij het fragment dat je voorleest. Na het lezen van het boek kun je de hele film bekijken. Dat kun je beter niet van tevoren doen, want de gebeurtenissen in de film zijn soms anders dan in het boek. Het kan voor verwarring zorgen als je de film voorafgaand aan het boek bekijkt.

-Zorg ervoor dat leerlingen tijdens een gesprek over het voorgelezen fragment mogen overleggen in hun moedertaal.


masterclasses voorlezen

Alleen als voorlezen kwaliteit heeft, draagt het bij aan begrip. In deze gloednieuwe masterclasses voorlezen (van dpgmedia) wordt toegelicht hoe je voorleeskwaliteit kunt bereiken en, waar nodig, vergroten.


Als je de voorleeskwaliteit bij jou op school wilt bekijken, gebruik dan deze observatielijst. Voor het onderdeel scaffolding geldt dat dat alleen van toepassing is in groepen met taalzwakke of anderstalige leerlingen en dat niet alle punten aan bod hoeven komen. Het is niet bedoeld als afvinklijstje.


Wil je met ons meedenken over goed taal- en leesonderwijs, volg onze Master Expert taal/dyslexie of Expert nieuwkomers en culturele diversiteit. Je kunt ook kiezen voor losse modules (bijvoorbeeld decoderen/vloeiend lezen, leesbegrip, schrijven).










donderdag 9 juni 2022

Website Rijke Taal

Blog en boek

In 2012 zijn we met onze blog Geletterdheid en schoolsucces begonnen en in 2021 is ons boek Rijke Taal voor het basisonderwijs verschenen. (Er komt binnenkort een versie voor vso, praktijkonderwijs, vmbo en mbo). We zijn blij om te merken dat zowel onze blog als ons boek in een behoefte voorzien en niet alleen veel gelezen worden in lerarenopleidingen, maar ook in de onderwijspraktijk zelf. Omdat we regelmatig vragen krijgen over de methodieken die in de blog en het boek genoemd worden (en omdat we die soms ook verder ontwikkelen), leek het ons een goed idee om al onze praktijkaanpakken, bij elkaar te brengen op een website. Dat is de site rijketaal.org geworden die we samen met onze Windesheim-collega Marianne Lok hebben gemaakt. 

Handleiding FOCUS op begrip

Eén van de aanleidingen voor het maken van de website is dat we samen met een aantal leraren een handleiding voor onze aanpak voor leesbegrip, FOCUS op begrip, hebben ontwikkeld. We hebben in eerdere blogs al geschreven over de ontwikkeling van FOCUS en we zijn inmiddels zover dat we een complete handleiding kunnen presenteren. FOCUS is een methodiek waarin voorlezen over wereldoriëntatiethema's en vrije keuze lezen centraal staan, aangevuld met het verrijken van wereldoriëntatie door met langer durende thema's en met tekstsets te werken. Bij de handleiding horen posters die gebruikt kunnen worden om FOCUS op school te implementeren. Zowel de handleiding als de posters kunnen op de nieuwe website gedownload worden.

Methodieken

Zoals gezegd hebben we in de afgelopen jaren een aantal lees- en spellingmethodieken voor de onderwijspraktijk ontwikkeld (of maakten we deel uit van een ontwikkelteam) die iedereen in het onderwijs kan gebruiken. Dat zijn behalve FOCUS, RALFI, LIST, Connect, Spellet en een aantal aanpakken voor het mbo (Vrije keuzelezen en Burgerschap-Nederlands-Lezen). We krijgen daar vaak vragen over en het lijkt ons handig de beschikbare informatie samen te brengen op één punt. Ook daaarom is er nu de site rijketaal.org.

Wat ons drijft

Laatst vroeg één van onze studenten aan de leerroute Expert taal/dyslexie van de hogeschool Windesheim wat ons nu eigenlijk drijft. Een mooie vraag waar we even over na moesten denken. Ook het antwoord op die vraag is terecht gekomen op de site. Wat ons drijft? De leerlingen die taal en lezen saai vinden ('Ik heb er niets aan voor mijn leven'). De leerlingen van wie de achtergrond niet zo talig of anderstalig is en die onvoldoende opsteken van ons onderwijs ('jij gaat toch met je handen werken'). De leraren die intuïtief weten dat ze het anders zouden willen, maar met handen en voeten gebonden zijn aan hun methodes en hun toetsen ('ja maar, bereid ik ze zo dan wel voor op de toets begrijpend lezen?'). Maar ook alle ervaringen die laten zien dat het wel kan. Die ene leerling die ineens gegrepen is door een leesserie. Die ene leraar die iedere keer weer naar onze leergemeenschappen komt en vertelt over gemotiveerde leerlingen en mooi onderwijs. Die ene uitgever die het wèl aandurft om het anders te gaan doen. Dàt is wat ons drijft.

Inspirerend taal- en leesonderwijs

Er gebeurt in het taal- en leesonderwijs veel wat inspireert. Zomaar een paar voorbeelden: pas geleden werd nog de site rijketeksten.org gelanceerd, we zijn erg enthousiast over leesbevorderingindeklas, over de blog van Suzanne van Norden of over de vele prachtige publicaties op de site van Stichting Lezen die gratis gedownload kunnen worden. We hopen dat ook onze site een bijdrage gaat leven aan inspirerend taal- en leesonderwijs dat leidt tot taalontwikkeling bij leerlingen.                              

dinsdag 3 mei 2022

Lezen en digitale geletterdheid: (hoe) gaat dat samen?

Kamerbrief

Zoals we in onze vorige blog al schreven, legt onze nieuwe onderwijsminister Dennis Wiersma in zijn recente Kamerbrief de nadruk op taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. Over het belang van het benadrukken van taal schreven we al. De centrale taak van het taal- en leesonderwijs is immers de ontwikkeling van kinderen en jongeren tot zelfstandige en gemotiveerde lezers die veel lezen voor hun plezier en voor hun ontwikkeling. Dat goed taal- en leesonderwijs de basis vormt voor digitale geletterdheid weten we ook al sinds lang (OECD, 2015). Maar het zou natuurlijk mooi zijn als onderwijs in digitale geletterdheid, behalve aan het digitaal geletterd worden van leerlingen, ook aan hun taal- en leesontwikkeling zou kunnen bijdragen. Hoe ziet onderwijs in digitale geletterdheid dat aan taal- en leesonderwijs bijdraagt er eigenlijk uit? Hoe ziet goed onderwijs in digitale geletterdheid er überhaupt uit? Om deze vragen te kunnen beantwoorden nog een blog naar aanleiding van de brief van de Minister, maar nu over digitale geletterdheid in relatie tot taalonderwijs.

Podcast

Op donderdag 28 april publiceerde Kennisnet de podcast 'Digitale geletterdheid op school. Weet wat werkt.' In deze podcast voeren Remco Pijpers en Anneke Smits een gesprek over dit onderwerp. Geletterdheid en gecijferdheid vormen samen de basis voor digitale geletterdheid (OECD, 2015). Daarentegen lijkt frequent computergebruik op school juist geen goed te doen aan geletterdheid en gecijferdheid en zelfs niet aan digitale geletterdheid (OECD, 2015; Saarinen et al., 2021). Over deze vreemde paradox gaat deze blog. 

Te veel computergebruik op school

Al vele jaren wordt het gebruik van computers op school enthousiast gestimuleerd door overheden,  tech-giganten en uitgeverijen van digitale onderwijsmiddelen. Enerzijds leidt dit natuurlijk tot goede omzetcijfers, en anderzijds bestaat de hoop dat meer computers op school zullen leiden tot vermindering van werkdruk van leraren, tot betere leerprocessen en tot verbetering van de digitale geletterdheid van leerlingen. Helaas is de werkelijkheid veel minder rooskleurig. Om met Saarinen et al. (2021, p. 1), te spreken: 'Frequent ICT use at school predicted students’ weaker performance in all the cognitive learning outcomes'. Ook met de vermindering van de werkdruk van leraren wil het niet vlotten. De vele computersystemen op school en de complexiteit van het goed lesgeven met ICT dragen juist eerder bij aan de werkdruk van leraren. 

Adaptieve oefenenprogramma's ineffectief voor taal-lezen

De verminderde leeruitkomsten bij veelvuldig ICT-gebruik op school kennen een aantal verklaringen. De eerste is de onjuiste veronderstelling dat ICT-gebruik in zichzelf (zonder intensief en adequaat leraarshandelen) tot leerresultaten zal leiden. Schmidt (2021) zegt hierover: 'In view of the empirical results, the greatest danger of ICT seems to be that a lot of valuable learning time is wasted because learning is expected to be improved by ICT use alone.' Saarinen et al. (2021) komen met een tweede en derde reden: overbelasting van het werkgeheugen en task-switching tijdens ICT gebruik waardoor minder gemakkelijk geleerd wordt. In het werk van Reich (2020) komt een vierde verklaring naar voren: de algoritmes in adaptieve software hebben zulke beperkte mogelijkheden dat zij beperkt zijn tot simpele multple-choice achtige oefenformats met duidelijke goed-fout afgrenzingen. Daarmee is dit type oefening beperkt tot lagere orde vaardigheden. Dat kan uiteraard nuttig zijn op school, ware het niet dat deze programma's ook op dit vlak weinig leerresultaten laten zien. Reich geeft aan dat er voor rekenen vooral winst geboekt kan worden als adaptieve programma's slechts eenmaal per week gebruikt worden naast reguliere offline rekenmethodes. Voor taal-lezen ziet hij deze winst niet, daar blijken adaptieve oefenprogramma's ineffectief. Het verlies van onderwijstijd aan taaloefenprogramma's is dramatisch als je beseft hoeveel beter de tijd besteed had kunnen worden aan lezen, voorlezen, praten, schrijven en denken over boeken. Meer tijd voor computers betekent te vaak minder tijd voor lezen en schrijven. Al met al lijkt het voor de leer- en leesresultaten riskant om op school veel tijd te besteden aan ICT-gebruik, zeker als dit gebeurt zonder intensieve begeleiding van de leraar. 

Stimuleert veel ICT-gebruik de digitale geletterdheid?

En digitale geletterdheid dan? Wordt zelfs dat niet gestimuleerd door veelvuldig ICT gebruik op school? Leerlingen worden uiteindelijk natuurlijk best handig met het programma waarmee ze veelvuldig werken, maar dat is nog geen digitale geletterdheid (Saarinen et al., 2021). Overigens vergen de meeste programma's waarmee leerlingen werken niet veel digitale vaardigheden. Die zijn immers zo gemaakt dat iedereen er gemakkelijk mee uit de voeten kan. Het is dan ook een misvatting om te denken dat we met oefensoftware digitale geletterdheid kunnen stimuleren. Sterker nog, veelvuldig gebruik van oefensoftware belemmert digitale geletterdheid, mogelijk doordat de belangrijkste voorwaarden voor digitale geletterdheid (lezen en rekenen) niet goed tot stand komen. Wie hoopt dat veel ICT gebruik op school de digitale geletterdheid stimuleert, werkt in werkelijkheid zowel de geletterdheid als de digitale geletterdheid tegen. Gebruik ICT dan ook met mate en alleen onder intensieve begeleiding van de leraar. Weeg steeds af wat de beste tijdsbesteding is voor het leerproces. 

Digitaal geletterd worden

Het is opvallend dat minister Wiersma in zijn brief aanstuurt op het (verplicht) onderwijzen van digitale geletterdheid op school. Over het belang daarvan valt niet te twisten, maar het probleem ligt in het feit dat er verbluffend weinig (wetenschappelijke) kennis is over hoe we dat zouden moeten doen. En dat betekent dat we het risico lopen om de verkeerde dingen te doen (zoals heel veel ICT gebruiken op school) of ten prooi te vallen aan methodes met leuke lesjes die weinig opleveren voor digitale geletterdheid maar die wel tijd kosten die beter aan andere dingen besteed had kunnen worden (zoals (voor)lezen en rekenen). 

In de podcast praten we over verschillende tendensen die er wel zijn in de wetenschappelijke literatuur over het onderwijzen van digitale geletterdheid. Deze tendensen zetten we hier nog eens op een rijtje vanuit het belang van taal-lezen (en rekenen) voor digitale geletterdheid. 

1. Zorg voor een goede ontwikkeling van de lees- en rekenvaardigheden. Over de ontwikkeling van de leesvaardigheden gaan vrijwel al onze andere blogs, en natuurlijk kun je ook houvast vinden in ons boek 'Rijke taal' en in onze Focus handleiding. Met goede lees- en rekenvaardigheden zijn leerlingen een heel eind op weg naar digitale geletterdheid! 

2. Samen. Digitaal geletterd worden is mensenwerk. We gaan steeds weer de dialoog aan over wat er allemaal gebeurt in de digitale en fysieke wereld. In zo'n open dialoog gaan we samen met onze leerlingen op weg naar een moreel kompas voor deze twee werelden. En als we zoeken op internet en leren produceren met ICT dan doen we dat samen: voordoen, samen doen, zelf doen. 

3. Investeer in (het produceren van) kennis. Kritisch lezen van (online) teksten, is geen trucje. Het is afhankelijk van je kennis van het onderwerp van zo'n tekst of je die kunt begrijpen en daar kritisch over kunt denken. Zorg in je onderwijs voor een doorgaande lijn tussen prachtige wereldoriëntatie thema's, schitterende boeken, kansen voor schrijven en voor het, onder begeleiding maken en publiceren (evt. voor beperkt publiek) van digitale producties zoals filmpjes, digitale verhalen, blogs en podcasts. Begeleid deze producties zo dat ze vooral leiden tot dieper begrip van de inhoud en praat met leerlingen over de functies en voors- en tegens van deze specifieke digitale producten. 

4. Wees zuinig met je computergebruik op school. Weeg voortdurend af of computergebruik echt in het belang is van het leerproces, en of de leertijd niet beter besteed zou kunnen worden aan lezen, schrijven of rekenen op papier.  Besteed weinig tijd aan lagere orde vaardigheden op de computer, niet meer dan eens per week en dan alleen voor rekenen. Doe een beperkt aantal hogere orde projecten waarbij leerlingen uitgebreid werken aan hun kennis van het onderwerp en aan het nadenken over de digitale wereld. Begeleid leerlingen daarbij intensief, ook als zij zoeken op internet.  

Conclusie

Digitale geletterdheid begint bij lezen, rekenen en in de dialoog met leerlingen. Als we niet oppassen zit het computergebruik in onze lessen de ontwikkeling van (digitale) geletterdheid in de weg. En het goede nieuws: als kinderen zich ontwikkelen tot zelfstandige en gemotiveerde lezers die hele boeken lezen voor hun ontspanning en hun ontwikkeling dan komt dat altijd hun digitale geletterdheid ten goede. 

dinsdag 26 april 2022

Waar we mee moeten stoppen!

Taal en lezen centraal? 

Dat onze verse onderwijsminister Dennis Wiersma ongeveer tegelijk met het verschijnen van de nieuwste Staat van het Onderwijs van de Onderwijsinspectie zijn onderwijsplannen aankondigde, kan geen toeval zijn. Terug naar de basis, gaan we. Taal en rekenen (en burgerschap en digitale geletterdheid) centraal. Dat benadrukken van taal en rekenen klinkt als het begin van deze eeuw toen de overheid opbrengstgericht werken ging promoten. Samen met onze pabo-collega's bekeken we destijds tijdens een studiedag de filmpjes die in opdracht van de overheid waren gemaakt. We zagen hoe er data-muren in beeld werden gebracht en hoe IB-ers en schooldirecteuren strijdbaar in de lens keken. 'Wij gaan wereldoriëntatie en andere vakken op een laag pitje zetten en ons alleen nog op taal en rekenen concentreren'. De pabo-uren voor Nederlands gingen omhoog en die voor de wereldoriëntatievakken naar beneden. Er werden digitale methodes ontwikkeld, zoals Taalzee en Snappet. Het zou allemaal goed komen. Het leek zo simpel, maar het heeft uiteindelijk niet geholpen. We doen het nog steeds (of weer?) niet goed met taal en lezen. 

Blijdschap en teleurstelling

De brief van Dennis Wiersma en de publicatie van de Staat van het onderwijs leiden tot over elkaar heen buitelende en heel verschillende reacties. Er is blijdschap vanwege de duidelijke focus die Wiersma aanbrengt. Die biedt nieuwe kansen aan educatieve uitgevers voor nieuwe methodes of nieuwe slogans voor oude methodes. Ook partijen die het onderwijs en leerlingen ondersteunen in de vorm van cursussen en (buitenschoolse) trainingen zien mogelijkheden. Er is ook teleurstelling. Veel scholen werken hard om de gedachte in het team te doen landen dat taal- en leesontwikkeling nooit eenzijdig tot stand kan komen door instructie en inoefening. De basis wordt gevormd door voorlezen rond rijke langer durende wereldoriëntatiethema's, vrije keuze lezen en denken, praten en schrijven over thema's en boeken. Dat is niet vrijblijvend en ook niet eenvoudig. Het kost heel veel tijd, het kost heel veel moeite en heel veel goede kinderboeken, maar het loont. Een ongenuanceerde focus op taal en rekenen zoals wordt voorgesteld, leidt onvermijdelijk tot minder focus op wereldoriëntatie terwijl kennisontwikkeling nu juist de basis vormt voor taalontwikkeling.     

Wat we niet meer moeten doen

Het valt ons op dat overal wordt gepraat over wat er moet worden gedaan, aan tafel bij het Ministerie en de Onderwijsinspectie, op social media... Maar wij vragen ons af of het niet ook belangrijk is eens in kaart te brengen wat we niet meer moeten doen als we hogere opbrengsten willen voor taal en lezen. In onze vorige blog beschreven we hoe moeilijk het is in het onderwijs om afstand te doen van vertrouwde routines (de curse of the familiar). Stel dat het ons zou lukken om een andere koers te kiezen, waar moeten we dan mee stoppen om veel tijd te hebben voor die nieuwe richting en tegelijkertijd onnodige belemmeringen voor de taal/leesontwikkeling uit te schakelen? De neiging bestaat vaak om er maar bij en bij en bij te blijven implementeren. De ene vernieuwing hebben we nog niet in de vingers of de nieuwe is al weer onderweg. En het is moeilijk om dat waar we nou eenmaal aan gewend zijn, achter ons te laten. Geen wonder dat leraren zich vaak overbelast voelen. Laten we dat anders doen en eens goed bekijken waar we mee zouden moeten stoppen. 

We moeten stoppen met demotiverende taal- en leesactiviteiten.

Demotiverende taal- en leesactiviteiten leiden niet tot het leren van taal en lezen. Zo moeten we stoppen met oninteressante teksten en lesjes in methodes die leerlingen laten denken dat taal saai is en oninteressant. We moeten stoppen vrije keuze lezen te zien als iets vrijblijvends waarvoor leerlingen nu eenmaal niet te motiveren zijn. We moeten stoppen leerlingen verplicht boeken te laten lezen en ze boeken uit te laten lezen waarvoor ze niet gemotiveerd zijn. We moeten ook stoppen met boekverslagen en andere demotiverende activiteiten die leerlingen moeten uitvoeren als ze een boek hebben uitgelezen.    

We moeten stoppen met taal- en leesactiviteiten die niet leiden tot taalontwikkeling.

Teksten en activiteiten die in zichzelf taalarm zijn, leiden niet tot taalontwikkeling. Daarom moeten we stoppen met met het snellezen van woordrijen, met flitswoorden en na groep 3 ook met boeken op AVI/CLIB-niveau. We moeten stoppen met het inzetten van instructietafels voor zwakke leerlingen waar zij veel minder lezen dan hun klasgenoten die zelfstandig mogen lezen. We moeten stoppen met verarmd onderwijs dat gedicteerd wordt door toetsen. We moeten stoppen met methodes voor voortgezet technisch lezen, omdat je van de oefeningen in die methodes niet leert lezen. Ze zijn onnodig en moeten vervangen worden door boeken. We moeten stoppen met klassieke methodes voor begrijpend lezen. Je oefent geen leesbegrip met losse teksten over steeds weer andere thema's, maar met het thematisch (voor)lezen van hele boeken. We moeten stoppen met geïsoleerd spellingonderwijs zonder verbinding met motiverend schrijfonderwijs. En we moeten stoppen met taal- en leesonderwijs dat niet gaat over interessante (wereldoriëntatie)thema's. In taalonderwijs is het thema niet arbitrair;  taal- en kennisontwikkeling gaan hand in hand. 

We moeten stoppen met het benadrukken van wat leerlingen niet kunnen.  

Leerlingen en hun ouders die steeds -impliciet of expliciet- horen dat ze niet goed zijn in taal en lezen, krijgen te maken met selffulfilling prophecies. Leerlingen lopen een grote kans laaggeletterd te worden omdat ze niet meer geloven in hun eigen capaciteiten. En ouders laten hun kinderen merken dat ze nu eenmaal niet goed zijn in taal en lezen (en soms ook dat dat niet geeft omdat ze later toch met hun handen gaan werken). Daarom moeten we stoppen met het communiceren van DMT/AVI-resultaten naar leerlingen en ouders. We moeten stoppen met het onderverdelen van leerlingen in niveaugroepen. We moeten ook stoppen met de grote nadruk op leestempo. De ene leerling leest van nature sneller dan de andere. Het (vroegtijdig) opzwepen van het leestempo omwille van de toets doet schade aan de leesontwikkeling. We moeten daarnaast stoppen leerlingen onvoorbereid hardop te laten lezen voor de hele klas. Dat is onnodig kwetsend en beschadigend als je niet goed kunt lezen. En laten we ook stoppen met het enkel en in eerste instantie benadrukken van spelfouten in de feedback die leerlingen krijgen op de teksten die ze hebben geschreven.

We moeten stoppen met adaptieve software die veel gebruik maakt van multiple choice en aanverwante oefenvormen

Het gebruik van dit soort software voor taal/lezen/spelling neemt op veel scholen behoorlijk wat tijd in beslag terwijl multiple choice oefeningen, zeker voor leerlingen met lees-en spellingproblemen, niet bijdragen aan taal- en leesontwikkeling. Eerder gemaakte fouten verarmen het aanbod. Een verarmd aanbod verarmt de ontwikkeling. Daarnaast is multiple choice geen goed centraal leermechanisme. Dat dit soort adaptieve software toch veel multiple choice gebruikt is te verklaren uit het onvermogen van computers (en Artificial Intelligence) om om te gaan met authentieke taal van de leerling als input. Dit beperkt de didactische vermogens van de computer zeer sterk. Veel onderwijstijd besteden aan didactische verarming is geen goed idee. In Nederland en in vele andere landen gaat het vergroten van het aandeel oefensoftware in de tijdsbesteding op school helaas samen met het verlagen van de lees- en rekenvaardigheden, en daarmee zelfs van de digitale geletterdheid van leerlingen. Misschien is de toename van oefensoftware op scholen zelfs wel één van de belangrijkste redenen voor de ontstane problemen. 

En dan?

Als we met al deze dingen stoppen, ontstaat er tijd. Tijd die we kunnen besteden aan voorlezen, aan vrije keuze lezen, aan interessante wereldoriëntatiethema's, aan zinvolle gesprekken en aan boeiende schrijfopdrachten, kortom aan taal- en leesonderwijs dat er werkelijk toe doet, ingebed in een rijke ontwikkeling van kennis van onze maatschappij en onze wereld. 




 


      

vrijdag 21 januari 2022

Ons collectieve onderwijshoofd is bezet

Het ei van Columbus voor leesbegrip

Op internet verschijnen steeds nieuwe filmbeelden van leerlingen terwijl ze ijverig teksten lezen, woorden schrijven, vragen beantwoorden en aan thema's werken. En filmbeelden van leraren terwijl ze al die dingen met veel enthousiasme begeleiden. Het zijn werkelijk hoopgevende filmpjes. Vaak vertellen leerlingen dat ze begrijpend lezen/technisch lezen/spelling met deze methode of methodiek eindelijk leuk zijn gaan vinden. Als je die filmbeelden bekijkt, kun je alleen maar respect hebben voor die leraren en die leerlingen. De leraren geven niet op, ze blijven vechten voor die ene aanpak die werkt. En de leerlingen zijn bereid telkens weer blij te zijn met iets nieuws. Tegelijkertijd zie je vaak dat sommige oude gewoontes door de nieuwe werkwijze heen schemeren. Onderwijs in leesbegrip is een vak van sterke oude gewoontes. De allermeest invloedrijke daarvan zijn het werken met teksten en bijbehorende vragen. Thematisch werken is erg belangrijk voor de kennisopbouw die nodig is voor begrijpend lezen. Maar wat gebeurt er als we daarbij toch nog vasthouden aan korte teksten met bijbehorende (vaak gesloten) vragen en leesstrategieën? Doorgronden we dan in voldoende mate wat er werkelijk toe doet om leesbegrip te ontwikkelen? Ondanks alle prachtige nieuwe initiatieven, lijkt het moeilijk om oude, minder effectieve, gewoontes los te laten. Hoe komt dat toch? 

The curse of the familiar

Ons grote probleem is dat we in het onderwijs zo verweven zijn geraakt met wat we doen, dat dat zo deel van onszelf is geworden, dat we er niet meer met afstand naar kunnen kijken. In ons collectieve onderwijsbewustzijn heeft zich de gedachte vastgezet dat taalonderwijs geen taalonderwijs is als er niet wordt gewerkt met werkbladen met vragen, kaartjes met woorden, AVI-niveaus, spellingcategorieën, schrijfstrategieën, leesspelletjes of wat dan ook maar aan te pas komt. En als er een nieuwe methodiek of methode wordt gelanceerd, zijn we alleen maar tevreden als we die vertrouwde dingen terugzien. Dat is de curse of the familiar (de vloek van het vertrouwde). We hoeven onszelf dat niet kwalijk te nemen. Onze blik en ons handelen wordt onbewust gestuurd door dat waar we vertrouwd mee zijn. Zonder dat we het beseffen vinden we een aanpak pas goed als er tòch werkbladen zijn, als er tòch die kaartjes zijn of die strategieën en als we tòch onze vertrouwde lesjes terugzien in ons digitale materiaal. We kunnen ons gewoon niet voorstellen dat we goed leesonderwijs zouden kunnen geven zonder leesspelletjes of woordrijen.

Je ziet het pas als je het door hebt

Wij, onderwijsgevenden, zien het niet. Anderen zien het wel. Dat zijn vooral degenen die niet hun hele werkende leven in het onderwijs hebben doorgebracht. Degenen die over de woorden beschikken om iets over onderwijs te zeggen. Denk bijvoorbeeld even terug aan de uitzending van Arjen Lubach over begrijpend lezen. 'Kijk, hiphopmeubels, voorleeshonden en influencers, dat zijn goeie initiatieven, maar ze zijn niet de oplossing. Het zijn de voedselbanken van de leescrisis.' En 'Het is niet: jongens, ik heb hier een fantastisch boek, maar wat is het signaalwoord van de samentrekkende nevenfunctie van...' We moeten erom lachen, zijn het er volledig mee eens, praten erover in de lerarenkamer en vervolgens gaan we weer verder met onze leesstrategieën op net weer een beetje een nieuwe manier, maar toch hetzelfde. Niet omdat we niet anders willen, maar omdat we niet anders kunnen. Terwijl het natuurlijk gewoon gaat om dat fantastische boek. Je kunt nog zoveel tijd besteden aan signaalwoorden, als je geen fantastische boeken leest, word je niet beter in begrijpend lezen. 

Pas geleden was er nog zoiets geweldigs waar je lang over door kunt praten met collega's: de Albert Verwey-lezing van Bibi Dumon Tak getiteld Wipneus en zijn schimmelige vriendje Pim. Een fantastisch verhaal over dat niemand al die prachtige actuele kinderboeken kent 'Dat is de schuld van Wipneus en zijn teringvriendje Pim die de hoofden van de collectieve lezer bezet houden.'  Over dat we de troost van vroeger zoeken en daarom teruggrijpen naar de boeken uit ons verleden. Over dat educatieve uitgevers voor de auteurs het motto hanteren: 'Niets mag, alles moet'. Bibi Dumon Tak als haar door een educatieve uitgever gevraagd wordt een boekje in een leesserie te schrijven: 'Ik kreeg een lijst van instructies mee die ingewikkelder was dan de tutorial van een Ikea-kast.' Een verhaal over dat die uitgevers leerlingen impliciet leren dat 'lezen een levensgevaarlijke bezigheid is.' Bijna iedere dag krijgen we een vraag over wat rijke teksten nu precies zijn: nou dit, deze lezing, dat is een rijke tekst.

Ons collectieve onderwijshoofd is bezet

Ons collectieve onderwijshoofd is bezet met stappenplannen en zandlopers. Daardoor is er geen ruimte meer voor al die prachtige kinderboeken. Daardoor lijkt het idee dat lezen iets is wat je in een paar weken zou kunnen leren en waarvoor je alleen maar boeken nodig hebt, buitenissig. Daardoor kunnen we geen afstand doen van de signaalwoorden en de werkboeken. Sterker nog, we vragen educatieve uitgevers om meer en meer en nog meer. Nee, daardoor zijn we niet meer in staat te doorgronden wat er werkelijk toe doet. Stel je voor dat ons collectieve onderwijshoofd volledig vrij zou zijn. Dat we alleen nog maar de boeken hebben van Bibi Dumon Tak en haar collega's, een hele grote stapel papier en een stel computers. Hoe zou (taal)ons onderwijs er dan uitzien? 

vrijdag 5 november 2021

Wereldoriëntatie als basis voor taal en begrip

Een school voor speciaal basisonderwijs: Wij besteden minimaal aandacht aan wereldoriëntatie. We willen onze leerlingen vooral taal en rekenen leren. 

Een school voor nieuwkomers-leerlingen: Wereldoriëntatie is te moeilijk voor onze leerlingen. Dat begrijpen ze niet. Wij bieden dat niet aan.

Wereldoriëntatie noodzakelijk als basis om taal te leren

In deze blog schrijven we over het belang van kennis voor de taal- en begripsontwikkeling. Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat juist in onderwijsvormen waar veel taalzwakke leerlingen te vinden zijn, wereldoriëntatie op een laag pitje staat. De intenties van leraren zijn goed; ze willen het beste voor hun leerlingen en daarom laten ze wereldoriëntatie weg (of beperken ze in het vo en mbo vakken als aardrijkskunde, geschiedenis of burgerschap sterk voor taalzwakke leerlingen). Maar het is een cruciale fout om deze leerlingen niet of nauwelijks in aanraking te brengen met kennis. Het wordt steeds duidelijker dat taal- en begripsontwikkeling niet mogelijk zijn zonder kennisontwikkeling (Willingham, 2009, Hirsch, 2016 of Schmoker, 2018). Leerlingen hebben inspirerende inhouden nodig die er werkelijk toe doen om diepgaand te leren lezen, denken, praten en schrijven. En inhouden die ertoe doen in het Nederlandse onderwijs, zijn inhouden die beschreven zijn in de Kerndoelen Wereldoriëntatie. We hebben het al vaker geschreven: leerlingen ontwikkelen hun taal onvoldoende via gefragmenteerd onderwijs met taal- en leesmethodes waar geen sprake is van rijke teksten, waar ze werken aan invullessen en waar inhouden er niet toe doen. Als je tot taal- en begripsontwikkeling wilt komen, zou niet het oefenen van een berg strategieën, regels en woordbetekenissen centraal moeten staan. Bij de ontwikkeling van taal en begrip gaat het om het verwerven van kennis (voor een groot deel door te lezen), het doordenken daarvan en het verslag doen van dat denkproces (praten en schrijven). Wereldoriëntatie is geen luxe voor taalzwakke leerlingen, maar bittere noodzaak. 

Kennis en geletterdheid als basis voor 21st century skills

Vaak wordt gesuggereerd dat kennisontwikkeling nauwelijks meer nodig zou zijn in de 21ste eeuw. Wat je wilt weten, kun je opzoeken en door internet ligt de wereld aan je voeten. Echter, het tegendeel blijkt waar. Om de overvloed aan (juiste en onjuiste) informatie te begrijpen en kritisch te kunnen beschouwen, is uitgebreide kennisontwikkeling nodig. En, daarmee samenhangend, een goede leesontwikkeling. Je kunt niet digitaal geletterd worden zonder dat je geletterd bent. Het ontwikkelen van mediawijsheid of informatievaardigheden is onmogelijk als je niet kunt lezen en niet over een uitgebreid kennisnetwerk beschikt. Je kunt geen 21st century skills ontwikkelen zonder een goed inhoudelijk curriculum waarmee je kennis verwerft. Hoe kun je kritisch leren denken als je één tekst over een onderwerp hebt gelezen die ook nog specifiek is geschreven om kritisch te leren denken? Hoe kun je hogere denkvaardigheden toepassen, zoals analyseren en synthetiseren, zonder kennis over het onderwerp waar je over denkt? We doen wel alsof, maar het is natuurlijk onmogelijk om de hoofdgedachte in een tekst te herkennen zonder dat je conceptuele kennis hebt over het onderwerp waar de tekst over gaat (Hirsch, 2016). Het onderzoek van O'Reilly et al. (2016) waarin duidelijk werd dat je een tekst over ecologie goed kunt begrijpen als je zes van de belangrijkste geassocieerde concepten identificeert, is exemplarisch. Taal- en leesbegrip en digitale geletterdheid vergen verbonden kennis, geen kennis van losse woorden (zie ook McCarthy & McNamara, 2021). 

Diepgang en geletterdheid gaan samen

We weten allang dat juist zwakke taalleerders rijke complexe teksten nodig hebben en geen verarmde methode-teksten om diepgaand te leren lezen en denken. Laten we het aantal doelen waaraan in de school wordt gewerkt, niet uitbreiden, maar juist versmallen tot een stel belangwekkende wereldoriëntatie-thema's. En laten we ervoor zorgen dat het vanzelfsprekend wordt dat we al die prachtige boeken en teksten die voorhanden zijn over die thema's gaan gebruiken. Daarbij kunnen we leerlingen discussie- en schrijfopdrachten laten uitvoeren. Waarom zouden leerlingen zich in een geschiedeniswerkboek met tientallen vragen moeten bezighouden als ze ook diepgaand zouden kunnen nadenken over één of twee vragen en daar een paper over schrijven en presenteren. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat we voor taal en geletterdheid tientallen zo niet honderden onderwijsdoelen hebben vastgesteld en dat we die in het onderwijs los van inhoud proberen aan te leren. Schmoker stelt voor in een schoolperiode een minimum te stellen aan het aantal pagina's dat moet worden gelezen en het aantal pagina's en papers dat moet worden geschreven. En laten we daar wereldoriëntatie, lezen, praten en schrijven mee verbinden. Zo vergroten leerlingen vanzelf hun kennis, leesvaardigheid, hun woordenschat, hun mondelinge taalvaardigheid en hun schrijfvaardigheid.

Differentiatie

Een gevaar is natuurlijk dat alleen de beste leerlingen zich gaan bezighouden met al die interessante stof omdat in ons onderwijs nog altijd verwoed gedifferentieerd wordt. Er is een overweldigende hoeveelheid evidentie dat differentie niet effectief is (Goodwin, 2015, Finn, 2014). Differentiatie (en ook gepersonaliseerd leren) kunnen leiden tot ongelijkheid omdat de zwakste leerlingen een verarmd aanbod krijgen. Je krijgt het meeste effect als je belangrijke onderwerpen klassikaal aanbiedt op een hoog niveau en zorgt voor scaffolding voor zwakke leerlingen (Rose, 2005). Verarming kan ook ontstaan door onderzoekend leren en groepswerk. Prachtige werkvormen, maar pas in te zetten als alle leerlingen samenhangende kennis hebben opgedaan over een thema.  

En toen?

Samen met onze Focus-leergemeenschap zijn we al een aantal jaren bezig met het vernieuwen van leesbegrip met het programma Focus op begrip dat zich richt op rijke contexten en rijke taal. In onze leergemeenschap proberen we samen met leraren aanpakken uit, passen ze aan en proberen ze opnieuw uit. Onze bevindingen communiceren we met het lerarenveld en met uitgevers. Ook ons wordt het steeds duidelijker dat leesbegrip hand in hand gaat met wereldoriëntatie. Wat hebben we tot nu toe geleerd over het verbinden van wereldoriëntatie en taal? 

1. Kijk welke onderdelen van je methode wereldoriëntatie je echt nodig hebt. Kun je voor geschiedenis bijvoorbeeld geen goed geschreven handboek kiezen dat alle leerlingen in hun vak hebben? Dat kun je samen met ze lezen, je kunt terugbladeren of vooruit, je kunt het uitbreiden met fictie en verhalende non-fictie en je kunt er discussie- en schrijfopdrachten bij geven. Gebruik je wel een methode, leg de werkboeken dan aan de kant en vervang die door eigen opdrachten waarbij leerlingen veel denken, praten en schrijven.  

2. Als je besluit tot de aanschaf van een methode wereldoriëntatie, kijk dan kritisch naar de teksten.  Wekken ze de nieuwsgierigheid van leerlingen op of zijn ze saai? Nemen ze leerlingen mee in het verhaal dat wordt verteld of zijn ze eerder opsommend? Nodigen ze uit tot denken of zijn ze daar niet interessant genoeg voor? Gaat het om doorlopende teksten met illustraties die ertoe doen of om korte gefragmenteerde teksten van een paar regels met veel plaatjes? 

3. Kijk kritisch naar de duur van de thema's in je methode wereldoriëntatie. Stel dat we uitgaan van zes langer durende wereldoriëntatie-thema's per jaar, dan kunnen we (in groep 5-8) 24 thema's aanbieden die minstens 6 weken duren. Als we het aantal thema's beperken en de overblijvende thema's uitbreiden met lezen, praten en schrijven, kunnen we gemakkelijk vier keer per week aan die thema's werken. Uit de taalmethode kan immers ook het een en ander geschrapt worden en de methode begrijpend lezen is niet langer nodig, evenmin als de methode voortgezet technisch lezen. 

4. Denk kritisch na over de inhoud van de thema's. Je kunt samen kiezen voor brede thema's over de wereldoriëntatievakken heen maar ook voor thema's per vak (bijvoorbeeld tien voor geschiedenis (de tijdvakken), zes voor natuur en techniek, zes voor aardrijkskunde en twee voor kunst). Zorg er voor dat je  de  thema's zo kiest dat er gemakkelijk goede kinderboeken (fictie) bij te vinden zijn. 

5. Kies bij het wereldoriëntatie-thema waar je over werkt twee moeilijke voorleesboeken die leerlingen zelf niet zo snel zouden kiezen (maar die wel motiverend zijn voor de groep) en lees die tijdens het werken aan dat thema helemaal voor (dagelijks 20 minuten).

6. Kies boeken bij het wereldoriëntatie-thema die leerlingen tijdens het vrij lezen kunnen kiezen.

7. Stel tekstsets samen die bij het thema passen (teksten die aansluiten bij het thema, die met elkaar verwant zijn en oplopen in moeilijkheidsgraad). 

Tot slot een citaat uit het inspirerende boek van Mike Schmoker (Focus. Elevating the essentials to radically improve student learning): 

Coherent, content-rich curriculum isn't just important: it is indisputably essential to the educational enterprise, to all we aspire to accomplish for students (p.22)

Zo'n curriculum bestaat volgens Schmoker (p.22) uit:

*adequate amounts of essential subject-area content, concepts and topics

*intellectual/thinking skills (e.g., argument, problem solving, reconsiling opposing views, drawing one's own conclusions; these are not to be confused with insiped test-prep skills such as 'inferring' or 'finding the main idea').

*authentic literacy-purposeful reading, writing, and discussion as the primary modes of learning both content and thinking skills             


vrijdag 27 augustus 2021

Op een inspirerende manier taalonderwijs vernieuwen. In memoriam Frank Schaafsma

Wie moet je zijn om onderwijs te kunnen veranderen?

Tijdens onze lezingen of colleges vragen leraren of studenten vaak: maar hoe doe je dat dan, zorgen voor een rijke taal- of leescultuur op school? Hoe krijg je je collega's mee? Hoe zorg je ervoor dat de schoolleiding de noodzaak ziet? Wij vinden het altijd moeilijk om daar antwoord op te geven. Er zijn natuurlijk boeken vol geschreven over veranderkunde in het onderwijs. Die gaan over verandervragen, veranderverhalen en veranderaanpakken, over het waarom, waartoe, het wat, het hoe en over degenen die bij het veranderproces betrokken zijn. Maar veel minder vaak gaan ze over de vraag wie je zou moeten zijn als je op een inspirerende manier een verandering tot stand wilt brengen? En misschien zijn juist die persoonlijke eigenschappen wel het allerbelangrijkst als je een vernieuwing echt wilt laten slagen. 

Frank Schaafsma

In deze blog gaan we in op de vraag wat je nodig hebt om taal- en leesonderwijs op een inspirerende manier te vernieuwen. Dat doen we aan de hand van het werk van Frank Schaafsma. Frank, eerst docent en later projectleider algemene vakken (zoals Nederlands en burgerschap) bij ROC Deltion College in Zwolle, heeft veel gedaan om het lezen in het mbo op de kaart te zetten, in de eerste plaats op Deltion zelf, maar later ook tijdens lezingen die hij -onder andere op initiatief van Stichting Lezen- hield bij andere ROC's overal in het land. Frank overleed op 28 juni 2021 op 59-jarige leeftijd na bijna anderhalf jaar ziek te zijn geweest. Zijn werk is onder andere te lezen en te bekijken via de publicaties Je vak moet je doen, niet lezen, Stilte, wij lezen hier en Lezen over burgerschapsthema's, een op Deltion gemaakt filmpje over lezen in het mbo, een blog op de site van Didactief  en een film van Leraar24. Ook stond hij aan de wieg van de boeken waarin de levensverhalen van mbo-studenten werden opgeschreven, Queen Latifa en King Leroy

Frank tijdens een lezing bij Zadkine in Rotterdam op 10 oktober 2019
Vrij lezen coördineren

Wanneer ben je nu succesvol als je het lezen op school een boost wilt geven. In Je vak moet je doen, niet lezen (Stichting Lezen, 2015) vertelt Frank zelf over het invoeren van vrij lezen in het entree-onderwijs. Hij denkt dat zijn leesproject geslaagd is omdat hij het laagdrempelig heeft gebracht. Samen met zijn team heeft hij afgesproken het gewoon eens te proberen en te leren van ervaringen. Toen het project veelomvattender werd, heeft hij steeds afgewogen of het nog paste bij de draagkracht van het team. Omdat hij één van hen was, had hij een behoorlijke 'gunfactor', dat heeft ook geholpen. Daarnaast heeft hij onder het mom van 'het is verboden boeken uit te lezen die je niet leuk vindt' altijd het leesplezier van studenten centraal gesteld en niet het leesonderwijs of leesresultaten. Omdat zijn collega's veel hart hebben voor hun studenten, sprak hen dat erg aan. Ook heeft hij het leesproject steeds opnieuw op de kaart gezet. Hij sprak collega's en studenten aan die tijdens de leesmomenten niet aan het lezen waren en kreeg zijn leidinggevende èn de concièrge zover om ook te gaan lezen. Hij is zich er altijd over blijven verbazen dat methodegebruik vanzelfsprekend is, terwijl je er bij dagelijks lezen bovenop moet zitten om te zorgen dat het niet zomaar verdwijnt omdat iets anders belangrijker lijkt. 

Franks collega's vertellen dat ze de volgende eigenschappen cruciaal vinden voor iemand die vernieuwingen gaat coördineren: deskundigheid over het onderwerp van de vernieuwing, gedrevenheid, enthousiasme kunnen overbrengen op het team, deel uitmaken van het team, het kennen van de praktijk van alledag (zodat de vernieuwer weet dat in het onderwijs meer dingen van belang zijn dan lezen). Een paar opmerkingen van collega's: 

''De coördinator heeft zich nergens door laten tegenhouden. Hij heeft tegelijk ook heel veel tegengehouden.'  

'Het is belangrijk dat hij meebeweegt met het team en openheid biedt, zodat leraren eigen keuzes kunnen maken. Dat heeft het gevoel gegeven dat het niet opgelegd werd. Dat maakte het persoonlijk.'     

Ook droeg bij aan het succes dat hij zijn leidinggevenden heeft kunnen interesseren voor het project. Dat gaf het meer status en zorgde ervoor dat teamleden er in wilden blijven investeren. Zijn leidinggevende: 

'Frank stond aanvankelijk alleen in zijn wens vrij lezen te integreren, maar het project werd steeds breder gedragen. Bij de startbijeenkomst was ik er niet, bij de eerste terugkoppeling wel en bij de volgende terugkoppeling was ook mijn leidinggevende erbij.' 

Post

Tijdens Franks ziekte en na zijn overlijden kwam er veel post van collega's van Deltion, maar ook van collega's van andere ROC's waar Frank over zijn projecten heeft verteld. 

Uit al die post bleek opnieuw glashelder wat vernieuwingen succesvol maakt.

  • Hij wist wie ik was. Hij zag mij. Als er iets was met mij of mijn familie, wist hij dat en vroeg hij ernaar. 
  • Hij nam de tijd om met me in gesprek te gaan.
  • Hij luisterde en we deelden onze onderwijservaringen.  
  • Hij was bevlogen. Hij geloofde in wat hij uitdroeg.
  • Hij hield geen theoretisch verhaal, maar hij praatte over zijn eigen ervaringen.
  • Voor hem stonden leerlingen altijd centraal      

Onze eigen bevindingen

Net als Frank begeleiden wij ook veel teams bij het vernieuwen van taal- en leesonderwijs. Wat kunnen we nog aanvullen? Onze ervaring is dat het belangrijk is om samen met teams nieuwsgierig te zijn. Als je een vernieuwing coördineert, ligt de nadruk niet op informatieoverdracht, maar leer je van elkaar. Noteer de dingen die je als vernieuwer leert van collega's en bespreek dat ook met het team zodat duidelijk is dat het een gezamenlijk project betreft. Wees eerlijk over wat je niet weet en wat je samen met het team moet gaan uitvinden. En relativeer. Het is onmogelijk om grote vernieuwingen snel door te voeren. Soms moet je al tevreden zijn als je voor elkaar hebt gekregen dat collega's open staan voor je ideeën en bereid zijn daarover na te denken. 

Tot slot

We zijn al een tijdje bezig ons boek Rijke Taal te herzien voor vmbo/mbo. Frank schreef alle voorbeelden. We sluiten af met één daarvan (Frank was behalve een enthousiast taalvernieuwer ook een enthousiast voetballer).

Klaas (leraar Entreeopleiding – mbo niveau 1) begint aan het half uur vrij lezen van half twaalf tot twaalf uur, zoals hij iedere maandag en donderdag doet met zijn mentorgroep. Dylan moppert al op het lezen sinds het begin van het jaar en bladert wat door tijdschriften. Klaas zelf leest het boek van Louis van Gaal uit zijn trainerstijd bij AZ. Met allemaal trainingsschema’s en veel achtergrondverhalen. Klaas is een voetballer en weet dat Dylan dat ook is. Hij loopt zacht naar Dylan toe en zegt: ‘Ik ben nu toch een boek aan het lezen. Je krijgt het nu nog niet, maar ik heb het bijna uit en dan mag jij het. Ik weet zeker dat je het te gek vindt.' Drie dagen later legt Klaas het boek op de bank van Dylan. Dylan begint te bladeren en raakt helemaal verdiept. Hij leest het boek van A tot Z uit. Klaas vraagt aan Dylan of hij eens wil opschrijven waarom hij dit boek nou zo geweldig vond. Een paar dagen later levert Dylan zijn verslag in: een prachtig verhaal over zijn liefde voor voetbal.