Windesheim

Windesheim
Posts tonen met het label MBO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label MBO. Alle posts tonen

vrijdag 27 augustus 2021

Op een inspirerende manier taalonderwijs vernieuwen. In memoriam Frank Schaafsma

Wie moet je zijn om onderwijs te kunnen veranderen?

Tijdens onze lezingen of colleges vragen leraren of studenten vaak: maar hoe doe je dat dan, zorgen voor een rijke taal- of leescultuur op school? Hoe krijg je je collega's mee? Hoe zorg je ervoor dat de schoolleiding de noodzaak ziet? Wij vinden het altijd moeilijk om daar antwoord op te geven. Er zijn natuurlijk boeken vol geschreven over veranderkunde in het onderwijs. Die gaan over verandervragen, veranderverhalen en veranderaanpakken, over het waarom, waartoe, het wat, het hoe en over degenen die bij het veranderproces betrokken zijn. Maar veel minder vaak gaan ze over de vraag wie je zou moeten zijn als je op een inspirerende manier een verandering tot stand wilt brengen? En misschien zijn juist die persoonlijke eigenschappen wel het allerbelangrijkst als je een vernieuwing echt wilt laten slagen. 

Frank Schaafsma

In deze blog gaan we in op de vraag wat je nodig hebt om taal- en leesonderwijs op een inspirerende manier te vernieuwen. Dat doen we aan de hand van het werk van Frank Schaafsma. Frank, eerst docent en later projectleider algemene vakken (zoals Nederlands en burgerschap) bij ROC Deltion College in Zwolle, heeft veel gedaan om het lezen in het mbo op de kaart te zetten, in de eerste plaats op Deltion zelf, maar later ook tijdens lezingen die hij -onder andere op initiatief van Stichting Lezen- hield bij andere ROC's overal in het land. Frank overleed op 28 juni 2021 op 59-jarige leeftijd na bijna anderhalf jaar ziek te zijn geweest. Zijn werk is onder andere te lezen en te bekijken via de publicaties Je vak moet je doen, niet lezen, Stilte, wij lezen hier en Lezen over burgerschapsthema's, een op Deltion gemaakt filmpje over lezen in het mbo, een blog op de site van Didactief  en een film van Leraar24. Ook stond hij aan de wieg van de boeken waarin de levensverhalen van mbo-studenten werden opgeschreven, Queen Latifa en King Leroy

Frank tijdens een lezing bij Zadkine in Rotterdam op 10 oktober 2019
Vrij lezen coördineren

Wanneer ben je nu succesvol als je het lezen op school een boost wilt geven. In Je vak moet je doen, niet lezen (Stichting Lezen, 2015) vertelt Frank zelf over het invoeren van vrij lezen in het entree-onderwijs. Hij denkt dat zijn leesproject geslaagd is omdat hij het laagdrempelig heeft gebracht. Samen met zijn team heeft hij afgesproken het gewoon eens te proberen en te leren van ervaringen. Toen het project veelomvattender werd, heeft hij steeds afgewogen of het nog paste bij de draagkracht van het team. Omdat hij één van hen was, had hij een behoorlijke 'gunfactor', dat heeft ook geholpen. Daarnaast heeft hij onder het mom van 'het is verboden boeken uit te lezen die je niet leuk vindt' altijd het leesplezier van studenten centraal gesteld en niet het leesonderwijs of leesresultaten. Omdat zijn collega's veel hart hebben voor hun studenten, sprak hen dat erg aan. Ook heeft hij het leesproject steeds opnieuw op de kaart gezet. Hij sprak collega's en studenten aan die tijdens de leesmomenten niet aan het lezen waren en kreeg zijn leidinggevende èn de concièrge zover om ook te gaan lezen. Hij is zich er altijd over blijven verbazen dat methodegebruik vanzelfsprekend is, terwijl je er bij dagelijks lezen bovenop moet zitten om te zorgen dat het niet zomaar verdwijnt omdat iets anders belangrijker lijkt. 

Franks collega's vertellen dat ze de volgende eigenschappen cruciaal vinden voor iemand die vernieuwingen gaat coördineren: deskundigheid over het onderwerp van de vernieuwing, gedrevenheid, enthousiasme kunnen overbrengen op het team, deel uitmaken van het team, het kennen van de praktijk van alledag (zodat de vernieuwer weet dat in het onderwijs meer dingen van belang zijn dan lezen). Een paar opmerkingen van collega's: 

''De coördinator heeft zich nergens door laten tegenhouden. Hij heeft tegelijk ook heel veel tegengehouden.'  

'Het is belangrijk dat hij meebeweegt met het team en openheid biedt, zodat leraren eigen keuzes kunnen maken. Dat heeft het gevoel gegeven dat het niet opgelegd werd. Dat maakte het persoonlijk.'     

Ook droeg bij aan het succes dat hij zijn leidinggevenden heeft kunnen interesseren voor het project. Dat gaf het meer status en zorgde ervoor dat teamleden er in wilden blijven investeren. Zijn leidinggevende: 

'Frank stond aanvankelijk alleen in zijn wens vrij lezen te integreren, maar het project werd steeds breder gedragen. Bij de startbijeenkomst was ik er niet, bij de eerste terugkoppeling wel en bij de volgende terugkoppeling was ook mijn leidinggevende erbij.' 

Post

Tijdens Franks ziekte en na zijn overlijden kwam er veel post van collega's van Deltion, maar ook van collega's van andere ROC's waar Frank over zijn projecten heeft verteld. 

Uit al die post bleek opnieuw glashelder wat vernieuwingen succesvol maakt.

  • Hij wist wie ik was. Hij zag mij. Als er iets was met mij of mijn familie, wist hij dat en vroeg hij ernaar. 
  • Hij nam de tijd om met me in gesprek te gaan.
  • Hij luisterde en we deelden onze onderwijservaringen.  
  • Hij was bevlogen. Hij geloofde in wat hij uitdroeg.
  • Hij hield geen theoretisch verhaal, maar hij praatte over zijn eigen ervaringen.
  • Voor hem stonden leerlingen altijd centraal      

Onze eigen bevindingen

Net als Frank begeleiden wij ook veel teams bij het vernieuwen van taal- en leesonderwijs. Wat kunnen we nog aanvullen? Onze ervaring is dat het belangrijk is om samen met teams nieuwsgierig te zijn. Als je een vernieuwing coördineert, ligt de nadruk niet op informatieoverdracht, maar leer je van elkaar. Noteer de dingen die je als vernieuwer leert van collega's en bespreek dat ook met het team zodat duidelijk is dat het een gezamenlijk project betreft. Wees eerlijk over wat je niet weet en wat je samen met het team moet gaan uitvinden. En relativeer. Het is onmogelijk om grote vernieuwingen snel door te voeren. Soms moet je al tevreden zijn als je voor elkaar hebt gekregen dat collega's open staan voor je ideeën en bereid zijn daarover na te denken. 

Tot slot

We zijn al een tijdje bezig ons boek Rijke Taal te herzien voor vmbo/mbo. Frank schreef alle voorbeelden. We sluiten af met één daarvan (Frank was behalve een enthousiast taalvernieuwer ook een enthousiast voetballer).

Klaas (leraar Entreeopleiding – mbo niveau 1) begint aan het half uur vrij lezen van half twaalf tot twaalf uur, zoals hij iedere maandag en donderdag doet met zijn mentorgroep. Dylan moppert al op het lezen sinds het begin van het jaar en bladert wat door tijdschriften. Klaas zelf leest het boek van Louis van Gaal uit zijn trainerstijd bij AZ. Met allemaal trainingsschema’s en veel achtergrondverhalen. Klaas is een voetballer en weet dat Dylan dat ook is. Hij loopt zacht naar Dylan toe en zegt: ‘Ik ben nu toch een boek aan het lezen. Je krijgt het nu nog niet, maar ik heb het bijna uit en dan mag jij het. Ik weet zeker dat je het te gek vindt.' Drie dagen later legt Klaas het boek op de bank van Dylan. Dylan begint te bladeren en raakt helemaal verdiept. Hij leest het boek van A tot Z uit. Klaas vraagt aan Dylan of hij eens wil opschrijven waarom hij dit boek nou zo geweldig vond. Een paar dagen later levert Dylan zijn verslag in: een prachtig verhaal over zijn liefde voor voetbal. 



dinsdag 26 november 2019

Taal- en leesonderwijs in het mbo. Het beweegt! (HSN, 2019)

Een mbo-studente (juridische beroepen) heeft na het lezen van 'Judas' een brief geschreven aan Astrid Holleeder waarin ze haar leven met dat van Astrid vergelijkt. Ze schrijft Astrid dat ze er bewondering voor heeft dat ze -ondanks alles- advocate is geworden. Zelf heeft deze studente ook een droom: een studie criminologie volgen. Mbo-studenten schrijven met muziek op de achtergrond aan de hand van 'writing prompts' (eindeloos te vinden op internet). Mbo-studenten die geen genoeg kunnen krijgen van het voorlezen van het boek 'Promille' van Helen Vreeswijk. Een prachtige foto van studenten die in de zon zitten met hun boek ('Het is mooi weer, mogen we vandaag buiten lezen?).

mbo-studenten
Studenten in (de lagere niveaus van) het mbo hebben vaak weinig lees- en schrijfervaring. Tijdens hun schoolloopbaan zijn ze gaan geloven dat taal niet zo hun ding is. En door de methodes en de lessen is Nederlands voor hen een saai vak geworden, een soort wiskunde met strategieën en regels, direct ontleend aan het Referentiekader taal. Onderzoek van Stichting Lezen en Schrijven naar de spreiding van laaggeletterdheid spreekt boekdelen. 34 tot 40% van de hulpkrachten in de schoonmaak, bouw, industrie, productie, landbouw en keuken kan nauwelijks lezen en schrijven. Dat maakt dat zij hun werk moeilijker kunnen doen en dat zij meer risico lopen op bedrijfsongevallen.

Het taal- en leesonderwijs in het mbo leeft. Er wordt van alles uitgeprobeerd om te zorgen voor frequent en betekenisvol lezen en schrijven. Omdat het een misverstand is om te denken dat studenten met een zwakke taalbasis taal leren door regels te oefenen. Omdat we weten dat ze hun taal alleen kunnen ontwikkelen in taalrijke contexten. In de 'mbo-stroom' van de conferentie Het Schoolvak Nederlands (HSN) op 22 en 23 november 2019 in Zwolle zijn veel kleine en grotere successen gedeeld.

vrij lezen op de HSN
Vrij lezen is inmiddels op een groot aantal ROC's ingevoerd (zie ook deze brochure van Stichting Lezen en Kunst van Lezen). Annette Janssen van de bibliotheek Den Bosch en Marlies de Groot van het Koning Willem I college vertellen over hoe ze boeken dichtbij studenten hebben gebracht door overal in het ROC kleine bibliotheken in te richten met voor de verschillende opleidingen op maat gemaakte collecties. Met elke student gaan ze op zoek naar het beslissende boek. Trinske Mijnheer, leraar van Aventus in Apeldoorn (en student van de Master EN op Windesheim), vertelt hoe ze een eerste stap zette door een methodeles te vervangen door het samen met studenten lezen van een boekfragment en hoe ze nu vrij lezen heeft ingevoerd in haar lessen Nederlands.

betekenisvol taalonderwijs op de HSN
Ook Deltion-collega's Mieke Iwema, Francien van Kruistum en Lammie Prins lezen allemaal met hun studenten. Zij zijn op zoek naar de volgende stap. Ze vertellen hoe ze nadenken over schrijfonderwijs. Ze schrijven niet langer alleen 'genreteksten' (mails, formulieren etc.) met studenten, maar proberen te zorgen voor schrijfplezier en schrijfervaring door in te zetten op 'vrij schrijven' en vandaar de stap naar genreteksten te zetten. Ze vertellen ook hoe ze uitproberen of het mogelijk is om langere tijd over een interessant thema te werken. Zo krijgen studenten kans om te bouwen aan taal. Ze hebben er burgerschapsthema's (Vertrek, Over grenzen, Gastvrijheid, Buitenspel etc.) voor gekozen. Samen met andere Deltion-collega's hebben ze een website gemaakt waarin ze die thema's hebben uitgewerkt, compleet met boekenlijsten en opdrachten (http://bit.ly/BNL-Deltion). Onze Vlaamse collega's Kenneth Driesen, Wouter Cambré en Kathleen Leemans vertellen over de nieuwe Vlaamse onderwijsdoelen en hoe ze die bijvoorbeeld proberen te bereiken door assessments of door studenten met meer teksten over één onderwerp te laten werken. In de presentatie van Kees Broekhof van Sardes zien we hoe het lezen van boeken de woordenschat en het leesbegrip vergroot. Ook licht Kees Broekhof de eerste resultaten van de leesmonitor mbo toe.

Buiten de  mbo-stroom zijn ook inspirerende presentaties te vinden, zoals van Hiske Schipper die een site maakte met cabaretfragmenten die in de lessen Nederlands gebruikt kunnen worden. Of Floor van Renssen en Sanne Koetsier die vertellen over schrijven voor de echte online wereld. De tendens van alle presentaties? Natuurlijk willen we de taaldoelen uit het Referentiekader of het Vlaamse onderwijskader bereiken, maar moeten we ze dan ook allemaal expliciet oefenen? Kan dat niet anders? Ja dus!

dilemma's
Over en weer worden documenten en ideeën gedeeld (zie deze padlet.com). En er wordt veel gediscussieerd, want er zijn ook dilemma's.

- Lezen is kwetsbaar. Als een ROC een nieuwe voorzitter van het College van Bestuur krijgt of een nieuwe sectordirecteur kan het zomaar zijn dat lezen minder belangrijk wordt. Als je als leraar  vrij lezen op de agenda wil houden, moet je altijd alert zijn. Vreemd, voor methodes geldt dat nooit.

- We weten dat het voor ROC-studenten van belang is om hun rolmodellen te zien lezen en te horen praten over boeken. Vaak zijn die rolmodellen de docenten van de beroepsgerichte vakken. Hoe betrek je hen bij vrij lezen? Nu is dat vaak onderdeel van de lessen Nederlands.

- Er zijn nog steeds ROC's die zelf geen bibliotheek hebben en waar ook geen goede samenwerking is met de openbare bibliotheek. Dat heeft tot gevolg dat leraren met veel enthousiasme overal boeken vandaan proberen te halen. Toch is het jammer wanneer ROC-studenten veroordeeld zijn tot kringloopboeken.

- Sinds de examens eerder mogen worden afgenomen, is er nog meer discussie over de zogenaamde 'onderhoudsplicht'. Wat doe je met studenten die hun 2F of 3F-examens hebben afgerond, maar hun opleiding nog niet. Op ROC's komt vaak het voorstel (niet van docenten Nederlands) om die studenten een vrijstelling te geven voor Nederlands. Omdat we weten dat lees- en schrijfvaardigheid afnemen als er niet meer wordt gelezen en geschreven, zijn vrijstellingen funest. Maar als je ervoor wilt blijven zorgen dat deze studenten blijven lezen en schrijven, hoe motiveer je ze dan?

- Leraren proberen steeds meer los van de methode Nederlands te werken, maar die methode staat wel op de boekenlijst van studenten. Dat leidt soms tot problemen, omdat studenten -terecht- klagen dat hun boeken niet worden gebruikt. Een belangrijke vraag: waarom hebben mbo-studenten eigenlijk een methode Nederlands met werkboeken en andere oefeningen nodig? Dat heeft het hbo toch ook niet? Waarom niet gewoon een handboek zonder de rest van de methode (bijvoorbeeld het VIA-handboek (Deviant))?

- Leraren proberen samen te werken met leraren van de andere vakken om rijke contexten te creëren voor Nederlands, zoals leraren burgerschap. Dat lukt niet altijd.

-Leraren willen af van 'teaching to the test' en creëren betekenisvolle lessen waarin studenten veel lezen en schrijven. Hoe zorgen ze ervoor dat studenten toch ook hun examens behalen?

-Leraren die het schrijfonderwijs willen intensiveren door studenten meerdere versies van dezelfde teksten te laten schrijven, vragen zich af hoe ze feedback kunnen geven en hoe ze kunnen zorgen voor peerfeedback? Hoe zorgen ze ervoor dat schrijfonderwijs behapbaar blijft?

-Als je niet meer werkt met methodes en werkboeken, hoe zorg je er dan voor dat het werk van studenten wordt vastgelegd? Welke (digitale) portfolio's zijn geschikt en hoe geef je de beoordeling vorm?     

Volgend jaar is de HSN-conferentie in Antwerpen. We hopen opnieuw op mooie bijdragen. Misschien kunnen bovenstaande dilemma's aanknopingspunten bieden.

donderdag 20 december 2018

De mbo-pilot burgerschap en Nederlands

Waarom deze blog?
Het is bijna kerst. Onze laatste blog is van september. Dat is te lang geleden, maar het betekent helemaal niet dat we stilzitten, integendeel! Deze blog gebruiken we om te schrijven over de pilot burgerschap Nederlands in ROC Deltion College in Zwolle. Omdat we zelf mooie ervaringen hebben opgedaan. En omdat we zoveel positieve reacties van de leraren en studenten op Deltion hebben gekregen (en ook van andere ROC's tijdens alle presentaties over dit onderwerp).

Het verhaal van Deltion College
Er is op Deltion College al veel tot stand gebracht. In 2011 zijn we -samen met Stichting Lezen- gestart met het project Vrij lezen in het mbo. Als vanzelf kwamen daar de boeken met levensverhalen van Deltion-studenten bij, opgeschreven door studenten van de Hogeschool Windesheim (zie onze eerdere blog). We hebben een groot deel van de collega's Nederlands geïnterviewd, wat tot een mooie publicatie en veel inzicht in de opvattingen van mbo-docenten Nederlands leidde en nu zijn we gestart met een pilot waarin we de vakken burgerschap en Nederlands hebben samengevoegd tot één vak. Daar verscheen onder andere een artikel over in het tijdschrift Van 12 tot 18.    

Een pilot ter preventie van laaggeletterdheid
Er wordt veel geschreven over het taalonderwijs in ROC's: sinds de invoering van het Referentiekader taal en rekenen staan de examens Nederlands centraal en zijn de lessen Nederlands -noodgedwongen- dikwijls gericht op teaching to the test. Tegelijk neemt het aantal laaggeletterden in Nederland toe en is het niet denkbeeldig dat een aanzienlijke groep daarvan uitstroomt uit ROC's. Geweldige automonteurs, electriciens, verzorgenden en beveiligers die de maatschappij hard nodig heeft, maar die we in de kou laten staan als het gaat om geletterdheid. En die we bovendien onvoldoende kansen bieden om succesvol door te stromen naar het hbo als ze dat willen. Studenten komen niet naar een ROC voor algemene vakken als Nederlands en burgerschap, maar om een beroep te leren. Daarom zijn de uren voor zowel Nederlands als burgerschap dikwijls minimaal.

Een pilot voor betekenisvol burgerschapsonderwijs
Ook over burgerschap in het mbo worden vragen gesteld (Burgerschapsagenda mbo 2017-2021). Dat het onderwijs er verantwoordelijkheid voor draagt dat studenten succesvol participeren in de maatschappij impliceert ook een verantwoordelijkheid voor geletterdheid. Daarnaast leren studenten bij burgerschap nadenken over wat hen maakt tot wie ze zijn en willen worden. Met wie voelen ze zich verbonden en hoe verhouden ze zich tot anderen? Ze leren kritisch denken over de keuzes die ze maken en over opvattingen met betrekking tot discriminatie of vrijheid van meningsuiting. Ook kennis is belangrijk als het gaat om burgerschap. Om te kunnen deelnemen aan de samenleving, moet je ten slotte weten hoe onze democratie of ons rechtssysteem is georganiseerd.

Een pilot? 
Geïnspireerd door het werk van Guthrie & Wigfield (2000), Hirsch (2003), Stahl & Nagy (2006), Rose & Martin (2012), door Richhart (2015) en Didau (2016) en door het DENK!-project dat Hogeschool Windesheim samen met de Hogeschool Utrecht uitvoerde, ontwierpen we een pilot waarin we de lessen Nederlands en burgerschap combineren. Per periode van 10 weken werken we rond een inspirerend burgerschapsthema. Voorbeelden zijn thema's als verzet of over grenzen. In zo'n thema werken we aan de burgerschapsdimensies (politiek-juridische dimensie, economische dimensie, sociaal-maatschappelijke dimensie en identiteitsvorming, vitaal burgerschap) en de burgerschapsdoelen (kritische denkvaardigheden, mensenrechten en sociale veiligheid). Tegelijk werken we aan de taaldoelen: lezen en luisteren, spreken en gesprekken voeren, schrijven en taalverzorging. Langere tijd aan een thema werken heeft als voordeel dat studenten rond zo'n thema aan taal kunnen bouwen. Daardoor wordt het gemakkelijker om te lezen en schrijven dan bij een willekeurig onderwerp dat steeds wisselt.

Werkwijze
De mediatheek stelde per thema een boekenlijst samen met rijke fictie en non-fictie. Er werd voor ieder thema een kast met boeken ingericht. We zetten de burgerschapsdoelen in de ik-vorm. Datzelfde deden we met de doelen uit het Referentiekader. En we bedachten  lesbouwstenen waarmee leraren -afhankelijk van het aantal lesuren voor de vakken Nederlands en burgerschap- zelf lessen konden bouwen. Iedere les start met een actuele burgerschapstekst (uit de krant of van internet) die aansluit bij het thema en die studenten en docent samen lezen. Voor zwakke lezers zijn er digitale scaffolds in de vorm van filmpjes of afbeeldingen. Na het lezen volgt een gesprek of een kleine inspirerende schrijfopdracht die tijdens de les wordt uitgevoerd. Vervolgens is er een 'inzoommoment' waarop wordt nagegaan hoe een alinea nu eigenlijk in elkaar zit of hoe het zit met verbindingswoorden in een zin. Of hoe de Tweede Kamer ook alweer werkt of ons kiesstelsel. Onderdeel van de les is altijd dat studenten lezen in hun zelfgekozen boek bij het thema. En verder werken ze aan -bij het Referentiekader aansluitende- motiverende keuze-opdrachten waarbij ze hun eigen ervaringen met het thema beschrijven of in beeld brengen, in de media op zoek gaan naar voorbeelden van het thema of een digital story ontwerpen rond hun boek. Alles wat ze maken verzamelen ze in een digitaal portfolio.

Wat we hebben geleerd
We zijn nog druk bezig met observaties en met gesprekken met leraren en studenten over wat ze vinden van deze werkwijze. Maar we hebben al wel wat te melden. Bijvoorbeeld dat vrij lezen in de pilot vanzelfsprekend een integraal onderdeel van het programma voor Nederlands is geworden. Vrij lezen is immers ingeroosterd en studenten vinden het heel logisch dat ze lezen over het thema dat centraal staat. Of ze wel of geen opdracht over hun boek willen uitvoeren, mogen ze zelf weten.
We hebben bij veel lessen geobserveerd. En iedere keer valt weer op dat vrij lezen zoveel meer is dan gewoon maar lezen. We zouden iedereen willen aanraden eens te gaan kijken in een groep beveiligers die in uniform aan het lezen is of verpleegkundestudenten, klassen-assistenten of metaalwerkers... In het begin is het niet eenvoudig om studenten tot lezen te motiveren, maar doorzetten leidt in iedere groep tot routine en tot een bijzondere sfeer. Lezen zorgt voor verbinding. Er ontstaat een stilte die zowel door studenten als door docenten als bijzonder wordt ervaren en die alleen af en toe wordt onderbroken door wat geschuif. Elkaar meemaken terwijl je leest, heeft iets intiems, je laat zien in welk boek je geïnteresseerd bent, hoe snel je leest, op welke manier je leest: ben je verdiept in je boek of kijk je telkens even op? Luister je naar muziek of juist niet?

Verder hebben we tijdens de pilot trots gezien. Studenten waren trots op de momenten dat ze er hun portfolio bij pakten en ons toonden wat ze al hadden verzameld. Ze denken actief mee over hoe deze aanpak nog beter kan worden. Ze vertellen dat ze vaker naar het nieuws zijn gaan kijken door de pilot. We hebben leraren horen vertellen hoe ontroerd ze waren door het verhaal van een student die vertelde dat hij zo gepest werd en op een gegeven moment in verzet is gekomen tegen zijn pesters. We hebben een leraar horen zeggen dat ze door het project haar lessen weer leuk is gaan vinden en het nu jammer vindt wanneer er een les uitvalt. En tijdens de discussie naar aanleiding van één van onze lezingen zei een leraar: ik krijg hier kippenvel van. Nu weet ik weer waarom ik in het mbo ben gaan werken.          

Wensen?
Natuurlijk zijn er ook dingen die we moeten verbeteren en bovendien is er nog veel te wensen. We zouden graag een website starten waarop we alle materialen (doelen, opdrachten, boekenlijsten) per thema gaan plaatsen zodat iedereen er gebruik van kan maken. We willen graag samenwerken met Nieuws in de klas. We willen meer thema's uitwerken. Vanochtend nog kwam een leraar met een prachtig thema. Ze zocht naar iets dat juist voor jongens interessant zou kunnen zijn. Ze had het thema Buiten spel bedacht.

Het mbo is een onderwijsvorm met studenten die midden in de samenleving staan en een open blik hebben, met inspirerende leraren die in een soms ingewikkelde context mooi onderwijs tot stand brengen. We zijn zo gaan geloven dat we afhankelijk zijn van traditionele lesmethodes dat we zijn vergeten dat zelf gekozen boeken en authentieke teksten die aansluiten bij de actualiteit onze studenten veel meer brengen dan willekeurig verzamelde teksten in methodes. Dat we zijn vergeten dat er een onuitputtelijke lesmethode voorhanden is met authentieke teksten en een veelheid aan filmpjes die begrip kunnen ondersteunen: het internet. 

Met heel veel dank aan alle Deltion- en andere collega's die meewerken en meedenken:
Lammie Prins, Jannie Gols, Sjili Franken, Ingrid Jongbloed, Nadja Robbers, Esther Ditzel, Annemiek Wermink, Trijnie Strijk, Aileen Derksen, Ilse Geerding, Maarten ter Horst, Sarah van Wijk, Gerda de Jong, Inge Gibson, Johan Groen, Claudia Poelman, Judith Meijer, Beppie van Giessen, Roelinde Post, Gerben Westerhof, Mayasari Steenbergen, Margit Dijk, Kea van de Kamp, Carla Brugman, Jaapjan Vroom, Annemarie Versloot (Collega's Deltion), Peter van Duijvenbode (Stichting Lezen), Sanne Gras (Stadkamer, openbare bibliotheek Zwolle), Marleen Wijnen (Kunst van Lezen), Luuk Kampman (NHL maatschappijleer)






 

vrijdag 25 mei 2018

Tweede levensverhalenboek door mbo Deltion College en Hogeschool Windesheim

met medewerking van Floor van Renssen  

Een paar jongens die bij het groepje van Dave horen, zitten bij Dion in de klas. Op het scherm van zijn iPad ziet hij nare berichtjes binnenkomen. Hij probeert ze weg te swipen, maar hij heeft ze al gelezen voor hij het doorheeft: 'kleine', 'lelijkerd', 'mietje'! Hij kan zijn aandacht niet bij de les houden. Als ik net doe alsof ik het niet zie, moet het vanzelf een keer ophouden, denkt hij. In de klas lachen de jongens hem uit en de ene nare opmerking na de andere wordt naar zijn hoofd geslingerd. [...] Zodra de bel gaat, is iedereen snel de klas uit. Dion treuzelt wat in de hoop dat meneer De Haas begint over wat er deze les weer voorgevallen is. 'Dion?' hoort hij meneer De Haas zeggen. Hij voelt een opluchting, hij heeft het dus gezien. 'Wil jij die laatste vier stoelen op de tafel zetten?', vraagt hij, terwijl hij zelf het lokaal al uit loopt... (Uit: King Leroy & andere verhalen uit het middelbaar beroepsonderwijs)

Queen Latifa
In 2014 publiceerden we een blog over het levensverhalenboek dat we destijds maakten. Studenten journalistiek van Windesheim interviewden studenten uit het entree-onderwijs van ROC Deltion College. De verhalen die dat opleverde, werden verzameld in het boek Queen Latifa & andere verhalen uit het entree-onderwijs. De aanleiding was toen dat studenten tijdens het vrij lezen (dat eerst in het entree-onderwijs en later in het hele ROC werd ingevoerd) graag echte verhalen wilden lezen. Die hebben ze gekregen: hun eigen verhalen! Queen Latifa wordt veel gebruikt op Deltion College. Iedere docent die met vrij lezen bezig is, heeft wel een stapel liggen. Voor studenten die hun boek zijn vergeten of die graag de verhalen van leeftijdgenoten willen lezen. Docenten van andere ROC's hebben het boek ook besteld. Dedicon Educatief heeft er zelfs belangeloos een  hybride boek van gemaakt dat studenten tegelijk kunnen lezen en beluisteren. Via een QR-code kunnen zo ook zwakke lezers of studenten die tijdelijk even niet gemotiveerd zijn om te lezen, kennismaken met Queen Latifa.

Over  het boek is een aantal publicaties verschenen. In PIP (Pedagogiek in praktijk) hebben we beschreven hoeveel het boek ons heeft geleerd: de verhalen  hebben de entree-studenten erkenning gegeven, hen geholpen om het vertrouwen te ontwikkelen dat hun levensverhalen de moeite waard zijn. De verhalen hebben de journalistiek-studenten geholpen om zich open te stellen voor andere ervaringen en perspectieven, hun eigen waarheden ter discussie te stellen. Zij hebben ervaren dat samenleven in verscheidenheid en verbondenheid niet alleen kan, maar misschien wel vanzelfsprekend is. En de Deltion-docenten merkten dat ze door de verhalen dichterbij hun studenten kwamen, hen echt leerden zien. Zo ontstond vanzelfsprekend verbinding tussen taal- en leesonderwijs, loopbaanoriëntatie en -begeleiding en burgerschap.


King Leroy
Vandaag (vrijdag 25 mei 2018) presenteren we met trots ons tweede levensverhalenboek: King Leroy & andere verhalen uit het middelbaar beroepsonderwijs. Docenten uit het entree-onderwijs vroegen ons vorig jaar of we niet een nieuw boek wilden maken. En dat hebben we gedaan! Het zijn zelfs twee delen geworden. Voor King Leroy  hebben  studenten van de opleiding journalistiek van Windesheim èn  studenten van de lerarenopleiding Nederlands van de Hogeschool Windesheim studenten van ROC Deltion College geïnterviewd. Gert-Jan Aalders (docent journalistiek) en Floor van Renssen (lerarenopleider Nederlands) hebben deze keer samen de redactie gevoerd. Ook nu hebben de studenten van Windesheim weer hun best gedaan om de verhalen zo te schrijven dat ze rijk taalgebruik bevatten en tegelijk toegankelijk zijn voor studenten voor wie lezen wat moeilijker is, bijvoorbeeld door veel uit te leggen. De verhalen komen soms keihard binnen, maar ze bieden ook hoop.

Je zou kunnen zeggen dat ik geen makkelijke jeugd heb gehad. Het is zo gegaan: als mijn moeder er niet was, mishandelde mijn vader mij en mijn broer. Hij sloeg me niet alleen hard en vaak, hij zei even vaak dat ik niets was, nutteloos. [...] Sinds mijn vader uit mijn leven is, gaat het beter met me. Ik ben gaan inzien dat je zelf de controle over je eigen leven moet houden en je niet moet laten beïnvloeden door mensen met slechte bedoelingen, ook niet als deze heel dicht bij je staan. Mijn motto is: geloof in jezelf. Je bent namelijk sterker dan je zelf denkt. (Uit: King Leroy & andere verhalen uit het middelbaar beroepsonderwijs)

De boekpresentatie
De Stentor besteedde aandacht aan dit nieuwe boek en tijdens de boekpresentatie bij START.Deltion is ook RTV Oost aanwezig. Het is een geweldige happening geworden, georganiseerd door bevlogen Deltion-docenten. Als Jasmine en Patrick starten met het voorlezen van hun verhaal, wordt het doodstil. Deltion-studenten maken muziek. Theatermaker Boudewijn Koops uit Zwolle die de studenten kennen van de theatervoorstelling Boys don't cryspreekt de interviewers en de geïnterviewden toe: 'jouw levensverhaal doet ertoe. En hoe vet dat jouw verhaal nu in een boek staat.' Anne en Dion lezen tot slot samen hun verhaal voor. Kippenvel! Dan worden alle duo's naar voren geroepen om de boeken in ontvangst te nemen.

Motto
Het motto van King Leroy is een citaat uit 'Hemel valt' van Typhoon. Een citaat dat zowel het boek als de boekpresentatie samenvat. Daar zal iedereen die er was en de verhalen leest, het mee eens zijn.


                                                           Wat zijn woorden
                                                           opgeschreven

                                                           als de kern
                                                           ervan niet wordt
                                                           begrepen

                                                           Voorbij het punt
                                                           van lezen

                                                           is het de kunst
                                                           van leven

Belangstelling voor één van beide boeken of voor allebei? Queen Latifa is voor 10 euro en King Leroy voor 12,50 euro te bestellen via ROC Deltion College (fschaafsma@deltion.nl)

Inmiddels is er in 2022 ook een derde levensverhalenboek verschenen, Fatou, levensverhalen uit de beroepspraktijk (https://www.rtvfocuszwolle.nl/fatou-het-derde-levensverhalenboek/amp/)

   

donderdag 8 juni 2017

Toetsfraude in het mbo

Twee docenten en een teamleider van het ROC Zadkine in Rotterdam worden verdacht van fraude met tentamens. Verontwaardiging alom (NOS). Een vertegenwoordiger van Leefbaar Rotterdam en demissionair Minister Bussemaker mogen in de pers vertellen hoe geschokt ze zijn. De docenten en de teamleider van de opleiding logistiek zijn direct op non-actief gesteld. We weten niet precies om welke tentamens het gaat; het zou om centrale examens taal of rekenen kunnen gaan, instellingsexamens taal of rekenen of kwalificatiedossiers voor de beroepen waarvoor studenten worden opgeleid (die bestaan uit een generiek deel en een beroepsgericht deel).

Deze blog gaat over taalonderwijs. We gaan hier dan ook uit van de –wellicht fictieve situatie- dat het op Zadkine taalexamens betreft. In het mbo worden de taalonderdelen lezen en luisteren getoetst met landelijke examens die ROC's verplicht moeten inkopen. De onderwerpen schrijven, spreken en gesprekken voeren worden getoetst met instellingsexamens die ze zelf mogen ontwikkelen. Voor de zekerheid kopen ROC's die laatste examens ook wel in, uit angst dat de inspectie de zelf ontwikkelde examens afkeurt. De studenten mogen hun resultaten op de landelijke examens compenseren met hun resultaten op de instellingsexamens.

Verschillende niveaus in het mbo
In het mbo zijn enorme verschillen tussen opleidingen en niveaus. Het niveau van sommige niveau-4-opleidingen is vergelijkbaar met hbo-niveau, terwijl in niveau 1- en niveau 2- opleidingen ook studenten rondlopen die uit het praktijkonderwijs komen of zijn uitgevallen in het vmbo. In de niveau-3- en 4-opleidingen stromen, behalve vmbo-tl-leerlingen eveneens havisten in en soms hbo-ers die er altijd van gedroomd hebben alsnog de kraamverzorging in te gaan. Docenten op ROC's hebben dus te maken met verschillende typen studenten: gemotiveerde studenten die graag een vak willen leren en taal en rekenen ook nog wel interessant vinden, studenten die dat vak graag willen leren en die het een worst zal wezen welke zeven soorten drogredenen er bestaan en dan ook nog met studenten die helemaal niets willen, maar nu eenmaal leerplichtig zijn. Ze hebben bovendien te maken met doorstromers van niveau 2 naar niveau 3 die de 2F-toetsen al behaald hebben, maar nog wel in de lessen zitten (onderhoudsplicht) en studenten met een hbo-diploma die van hun ROC toch de 3F-toets moet doen. Al die studenten moeten ze les geven en door de examens heen zien te loodsen, terwijl ze in het slechtste geval maar één uurtje Nederlands in de week hebben.

Teaching to the test?
Sinds 2008 zijn in het Referentiekader taal en rekenen de niveaus vastgesteld die leerlingen in het basisonderwijs, in de verschillende vormen van voortgezet onderwijs en in het beroepsonderwijs moeten hebben behaald. Die referentieniveaus zijn fictie. Hoewel dat wel de bedoeling is, leert de ervaring dat  aan het eind van de basisschool veel leerlingen niveau 1F niet hebben, aan het eind van het vmbo en de mbo-niveaus 2 en 3 referentieniveau 2F niet en aan het eind van mbo 4 referentieniveau 3F niet (zie blog van Amos van Gelderen). Door de aard van de toetsen en de toetsnormeringen valt dit niet zo op. Het gros van de leerlingen/studenten haalt ze daardoor toch. Maar dat je een examen lezen of schrijven haalt, betekent dus lang niet altijd dat je ook een tekst kunt begrijpen of een samenhangend stuk kunt schrijven. Dat wordt zichtbaar wanneer mbo-studenten doorstromen naar het hbo. Slechts 56% van de doorstromers haalt een hbo-diploma en sinds 2009 neemt dat aantal af (Onderwijs in cijfers).  

De mbo-methodes taal zijn gericht op het oefenen van de examenstof. Om brieven, beschouwingen en betogen te kunnen schrijven, oefenen studenten met brieven, beschouwingen en betogen. Om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende soorten argumenten, oefenen ze met dat onderscheid. Wanneer je methodes vergelijkt met de referentieniveaus valt op dat methodes vele malen meer stof aanbieden dan in het Referentiekader staat. Voor niveau 4-studenten met een sterk ontwikkelde ervarings- en taalbasis die uit gezinnen komen waar veel wordt gepraat en gelezen en die in hun opleiding flink wat studieboeken moeten bestuderen, kan het oefenen van verschillende soorten argumenten wel iets opleveren. Zeker wanneer ze een goede docent hebben. Een docent bijvoorbeeld die  het onderwerp argumentatie met ze bespreekt aan de hand van een column van Ozcan Akyol over hoofddoekjes bij de politie. ‘Huh? Een Turk die tegen hoofddoekjes is? En hij schrijft boeken? En die heeft u in uw tas? Laat zien. Laat lezen. Hij komt ook op tv? Waar dan?’ Voor studenten uit de lagere mbo-niveaus loopt een methodische aanpak het risico te verworden tot ‘teaching to the test’. Studenten die nauwelijks lees- en schrijfervaring hebben en een beperkte ervarings- en taalbasis, kun je wel leren wat een drogreden is, maar het gaat dan om een trucje waarmee ze het examen net doorkomen. Voor deze studenten is het nodig dat ze frequent lezen en schrijven om een ervarings- en taalbasis te bouwen.

Nederlands in het ROC
Terug naar de Zadkine-docenten. Laten we eens aannemen dat zij hun logistiek-studenten opleiden in de laagste mbo-niveaus, bijvoorbeeld om te gaan werken in een magazijn. Natuurlijk valt het niet te vergoelijken dat ze die studenten toetsen laten inzien en het kan hier om pure fraude gaan. Maar het kan ook zijn dat de docenten met die studenten eindeloos hebben getraind op beeldspraak of signaalwoorden en geen enkele vooruitgang zien. Misschien vragen ze zich af hoeveel het inzien van een toets nu eigenlijk verschilt van het trainen van examenopgaven met een methode. Misschien weten zij ook dat het behalen van toetsen niet betekent dat hun studenten werkelijk kunnen lezen en schrijven. Misschien hebben de geschorste docenten veel hart voor hun studenten en voelen ze de druk van managers en politiek om tot een hoger percentage afstudeerders te komen. Deze docenten zijn in Nederland vast niet de enigen. Met een opleidingssysteem dat steeds meer is gaan draaien om toetsen en afstuderen zonder vertraging roepen we dit soort gebeurtenissen over ons af. Wie wil, binnen een context als deze, straks dit ongelofelijk moeilijke werk nog doen? 

Wat is het werkelijke probleem?
Het werkelijke probleem van ROC's ligt niet bij docenten. Docenten en scholen onder druk zetten om langstudeerders snel te laten afstuderen, is een beproefd recept voor problemen. Niveauverschillen laten zich niet wegpoetsen met  toetstrainingen in methodes (Smits & Van Koeven, 2017), maar alleen met werkelijk goed taalonderwijs. Daarmee wordt volop geëxperimenteerd, bijvoorbeeld door vrij lezen in ROC-curricula te integreren of door –zoals in een project waarin ROC Deltion College, Hogeschool Windesheim en Kunst van Lezen samenwerken- van taal en burgerschap één vak te maken.

En dan nog iets: waarom zijn in de beroepsopleidingen in het mbo eigenlijk taalmethodes met werkboeken nodig, die zijn er in het hbo toch ook niet? Waarom kunnen mbo-studenten niet gewoon een handboek aanschaffen met informatie over hoe je een betoog schrijft, waarna ze schrijven over hun beroep of over actuele burgerschapsthema’s? Die vraag raakt misschien nog wel aan een groter probleem: aan het (taal)onderwijs op ROC's wordt grof geld verdiend. Het aantal aanbieders van examens en methodes rijst de pan uit. Om maar te zwijgen over het ontelbaar aantal bedrijfjes dat assessorentrainingen aanbiedt waarin docenten leren om te bepalen of de presentaties van hun studenten of de teksten die ze schrijven nu op Referentieniveau 1F, 2F of 3F kunnen worden ingeschaald. ROC’s hebben goed opgeleide docenten nodig die in samenspraak met examencommissies hun eigen toetsen ontwikkelen vanuit een heldere visie op taalonderwijs voor àlle studenten. Zonder dat er druk staat op het tempo van afstuderen.

(met dank aan een aantal ROC-collega's voor het meelezen) 

        

vrijdag 2 december 2016

Onderwijs in de 21ste eeuw

21st century
Over ‘21st century skills’ en het onderwijs van de toekomst worden lijvige rapporten geschreven (SLO,2014; Ons Onderwijs 2032, 2016). Deze rapporten roepen veel discussie op over de vraag om welke vaardigheden het nu precies gaat en of die vaardigheden echt wel zo 21st century zijn. Tenslotte hield Plato zich in de vijfde eeuw voor Christus ook al bezig met kritisch denken (Bloemink, 2015). En is het gedachtengoed van Dewey (1897) niet verrassend actueel? Goedwillende schoolteams nodigen even goedwillende experts uit die angstaanjagende filmpjes laten zien over hoe snel de technologie zich ontwikkelt en dat we leerlingen moeten voorbereiden op niet bestaande beroepen. Deze filmpjes laten ons achter met het gevoel dat we in het onderwijs hopeloos achterlopen, dat we in een keihard rijdende trein zitten die niet meer bijgestuurd kan worden, dat we ‘iets’ moeten doen, terwijl we geen idee hebben wat precies. Tegelijk lijken we vergeten te zijn dat de  21ste eeuw al lang is begonnen, en dat we lopend, fietsend of kruipend desnoods, al een hele tijd op weg zijn. 

Er gebeurt al van alles
Om te begrijpen hoe we naar het ‘onderwijs van de toekomst’ kunnen kijken, is het misschien goed om een uitstapje maken naar de wereld buiten het onderwijs. Hoe geeft de huidige generatie jongeren de samenleving van de 21ste eeuw  vorm? Niet met grote woorden, maar in het klein. Door een ambachtelijke bierbrouwerij te beginnen of biologische hamburgers te  bakken. Door tiny houses te bouwen, tassen te  ontwerpen met een 3d-printer, nieuwe technologie te bedenken voor watervoorziening in droge gebieden of een dansproject op te zetten voor kansarme jongeren. Door in een oude school een kunstenaarscollectief te starten. Door te onderzoeken, te mislukken en weer opnieuw te beginnen. Op die manier krijgt de bedreigende ‘toekomstige samenleving’ onverwacht kleur. En deze initiatieven staan niet op zichzelf; erdoorheen schemeren grote woorden: duurzaamheid, verbinding, creativiteit en ambachtelijkheid.

Hoe kleine initiatieven samen een ontwikkeling vormen
Ook als we op onze eigen hogescholen om ons heen kijken, zien we dat er dingen gebeuren in de zelfde creatieve geest die heerst in de ambachtelijke bierbrouwerijen en de waterprojecten. Collega lerarenopleiders experimenteren in hun lessen met het schrijven van blogs over literaire ervaringen door studenten of met het inzetten van zelf ontwikkelde games om hun studenten te helpen ontoegankelijke teksten, zoals Beowulf of de Camera Obscura beter te begrijpen. Ze bespreken in hun colleges vlogs waarin studenten poëzie analyseren met behulp van beelden en muziek. Of ze experimenteren met (digitale) leeromgevingen waarin wordt aangesloten bij de mogelijkheden en wensen van studenten.  

In het po, vo en mbo wordt eveneens geëxperimenteerd. Mbo-docenten bouwen met laaggeletterde studenten een leesroutine op en onderzoeken of  luisterboeken of e-readers daarbij helpen. Ze zetten voorleessoftware en tekst naar spraak in om hun studenten te ondersteunen bij het lezen en schrijven. Mbo-studenten maken samen met hbo-studenten een eigen boek met levensverhalen dat dient als leesmateriaal en als uitgangspunt voor gesprekken over diversiteit en leren samenleven. Basisschoolleerlingen bezoeken het rijksmuseum. Dat bezoek wordt gefilmd en met behulp van de film bespreken ze wat ze hebben geleerd en hoe ze hun leerervaringen kunnen gebruiken bij het schrijven van een tekst. Of ze bekijken filmfragmenten en lezen over Napoleon. Nadat ze voorbeeldteksten over historische personages hebben bestudeerd, komen ze tot mooie eigen teksten die echt worden gepubliceerd. Creatieve probleemoplossing en het publiceren van leren met behulp van ICT worden in het onderwijs steeds belangrijker.

Die verschillende initiatieven staan niet op zich. We praten er met elkaar over bij de koffieautomaten op de lerarenopleidingen van Hogeschool Windesheim, op conferenties en in de lectoraten Onderwijsinnovatie en ICT en Pedagogische kwaliteit van het onderwijs. Tijdens schoolbezoeken in Nederland en het buitenland ontdekken we hoe ICT kan worden ingezet om betekenisvolle opdrachten te ontwerpen, om te zorgen voor scaffolds, om leerresultaten en leerprocessen zichtbaar te maken en daarover na te denken, om een connectie te leggen tussen werelden van thuis en op school (zie de website van basisschool Osmope in Porto). Geleidelijk wordt ons duidelijk hoe goed en innovatief onderwijs eruit kan zien en dat ook aan de basis van al die kleine onderwijsinitiatieven grote leerconcepten liggen: duurzaamheid, transfer en rijke verbindingen (zie onze vorige blog over leren).  

Onderwijs voor de toekomst
In beleidsteksten over het onderwijs van de toekomst, wordt meestal gebruik gemaakt van abstracte kernbegrippen: kritisch en creatief denken, probleem oplossen, computational thinking, informatievaardigheden, ICT-basisvaardigheden, mediawijsheid, communiceren, samenwerken, sociale en culturele vaardigheden, zelfregulering (SLO) of collaboration, communication, critical thinking, creativity, citizenship, character (NPDL). Allemaal  belangrijke vaardigheden, maar het valt steeds opnieuw op dat inhoud ontbreekt. Hoeveel je ook communiceert, samenwerkt, kritisch of creatief denkt, wanneer er geen focus en geen kennis is (over tiny houses of over de kunst in het rijksmuseum), dan hebben die begrippen geen betekenis. 

(Taal)onderwijs voor de toekomst
Met het oog op bovenstaande ontwikkelingen is het niet moeilijk het onderwijs van de toekomst voor ons te zien: dat kan niet anders zijn dan onderwijs waarin veel ruimte is voor frequent en multimediaal lezen en schrijven, waarin gebruik wordt gemaakt van brede thema’s met rijke bronnen waarover leerlingen actief nadenken, praten en produceren. Leerlingen die dat nodig hebben verwerken dezelfde rijke bronnen met behulp van scaffolds van de leerkracht. Dat onderwijs vinden we niet terug in het eindadvies Ons onderwijs 2032 (zie voor een kritische blik Zondag met Lubach 7 februari 2016). Daar wordt gesproken van functionele taalvaardigheid:‘leerlingen worden zich bewust van het doel en het publiek van hun boodschap en weten welk communicatiemiddel en welke toonzetting daarbij horen.’ Een formulering die niet zou misstaan in een beschrijving van het onderwijs van de 20ste eeuw. De grootste uitdaging van 21ste eeuws onderwijs is niet dat we vaardigheden beschrijven en toepassen, maar dat we moeten leren om anders te kijken. De volgende vragen kunnen daarbij helpen:

-Leidt ons onderwijs tot duurzame leerprocessen?
-Is ons onderwijs betekenisvol voor alle leerlingen?
-Worden leerlingen voldoende uitgedaagd en inhoudelijk voldoende ondersteund?
-Kunnen leerlingen dat wat ze leren ook toepassen in andere situaties en op andere plekken (transfer)?
-Worden rijke verbindingen gelegd door rijke teksten te lezen en te schrijven?
-Hoe wordt aangestuurd op kritisch en creatief gebruik van multimedia?
-En de belangrijkste vraag: worden leerlingen echt gestimuleerd tot denken?

Als we deze vragen als uitgangspunt nemen, hoeven we discussies over wel of geen methode of wel of geen vakintegratie niet meer te voeren. We komen dan dicht in de buurt van het Finse model waarin afzonderlijke vakken steeds minder belangrijk worden. Thematisch geïntegreerd onderwijs met rijke bronnen waarover gezamenlijk nagedacht en gepubliceerd wordt, lijkt volkomen passend na een eeuw waarin we de rijkdom van het onderwijs uit handen hebben moeten geven aan steeds verder verarmde methodes, eenzijdig opbrengstgericht werken en teaching to the test. En dan komt het misschien toch nog goed met de 21st century skills.

I believe that there is, therefore, no succession of studies in the ideal school curriculum. If education is life, all life has, from the outset, a scientific aspect; an aspect of art and culture and an aspect of communication. It cannot, therefore, be true that the proper studies for one grade are mere reading and writing, and that at a later grade, reading, or literature, or science, may be introduced. The progress is not in the succession of studies but in the development of new attitudes towards, and new interests in, experience.’ Dewey (1897). 

'Somewhere along the way our schools have lost this civic mission. They have largely become factories for producing workers and test-takers. ..................  Rather than being strictly economy-centered and work-centered, our classrooms and curriculums should be life-centered, student-centered, democracy-centered, community-centered, and world-centered. This is how we truly engage students in learning and intellectual curiosity and arouse them to work to make the world a better place.' Wolk (2013)


donderdag 28 januari 2016

Het vak Nederlands moet anders! Ook in het basisonderwijs en mbo

manifest
Wetenschappers van acht universiteiten publiceerden eind vorige week met steun van docenten Nederlands een manifest waarin gepleit wordt voor vernieuwing van het vak Nederlands. De auteurs wijzen onder andere op het belang van samenhang tussen de verschillende onderdelen van het vak en vragen aandacht voor het schrijven van teksten. Ze stellen vragen bij het huidige didactische materiaal en vragen zich af waarom het vak in 25 jaar nauwelijks is veranderd. Daarbij wijzen ze erop dat leerlingen Nederlands als een van de saaiste vakken beoordelen en dat teveel leerlingen met een onvoldoende niveau het voortgezet onderwijs verlaten. Voor de meest kwetsbare groep leerlingen betekent dit zelfs dat ze het voortgezet onderwijs afsluiten met onvoldoende geletterdheid om in de maatschappij te kunnen functioneren. 

primair onderwijs en mbo
Het manifest is gericht op het voortgezet onderwijs, maar is net zo goed van toepassing op het primair onderwijs en het mbo. In het primair onderwijs is Nederlands kunstmatig opgedeeld in de ‘vakken’ taal, spelling, woordenschat, begrijpend lezen en technisch lezen. Voor ieder ‘vak’ is een aparte methode. Integratie met zaak- en kunstvakken is er niet. Zo hoef je in de geschiedenis- of aardrijkskundeles niet te kunnen spellen en beperkt het schrijven van teksten zich vaak tot het invullen van lesjes in werkboekjes.  Sinds de invoering van de referentieniveaus taal van de commissie Meijerink waarin per niveau is aangegeven wat leerlingen in welk onderwijsniveau moeten beheersen, heeft ook het mbo eraan moeten geloven. Het vak Nederlands is er –precies als in het vo- om met de Volkskrant te spreken 'koud en zielloos' geworden. Hoe dat komt?

educatieve uitgevers
In Nederland is de invloed van educatieve uitgevers enorm. Zij baseren hun uitgaven voornamelijk op marktonderzoek. Een groot deel van hun inkomsten wordt bepaald door ‘verbruiksmateriaal’ (werkboekjes). De meerderheid van de leraren in Nederland is zelf opgegroeid met werkboekjes. Hoe de lerarenopleidingen ook hun best doen, voor jonge studenten heeft dat wat ze zelf hebben ervaren en dat wat ze in hun stagepraktijk zien, een veel grotere overtuigingskracht dan dat wat ze op de opleiding leren. Ze zijn groot geworden met werkboekjes en vragen uitgevers om nog meer werkboekjes. En hoewel er legio mogelijkheden zijn om ICT in te zetten in betekenisvol lees- en schrijfonderwijs (beluister dit interview met professor Adriana Bus in het radioprogramma De Taalstaat eens), zien we momenteel vooral dat uitgevers hun werkboeken vertalen in computerprogramma's met saaie en ineffectieve invullesjes. Geen wonder dat ICT-gebruik in het laatste OECD onderzoek nauwelijks tot betere resultaten leidde.

onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk
Er is bovendien een grote kloof tussen onderwijsonderzoek en de onderwijspraktijk. Van de meeste taal- en leesmethodes die we gebruiken is het effect nooit onderzocht. Bij het merendeel van de methodes waarnaar wel onderzoek is gedaan, is een 0-effect vastgesteld (leerlingen worden er niet beter en niet slechter van). Dit onderzoek wordt niet altijd gepubliceerd. Daarom is het des te mooier dat dit met een onderzoek naar extra taalondersteuning in het mbo waarbij geen effect werd gevonden, wel gebeurde (Scharten, Gerritsen, Kuijpers, Netten, 2016). Alleen zo kunnen we werkelijk het gesprek over goed taalonderwijs aangaan en zoeken naar verklaringen en oplossingen. Waarom laten onderzoeken geen effect zien? Ligt dat aan de aard van interventies, de uitvoering ervan of aan het ontbreken van een taalbasis bij leerlingen? Het is ook prachtig dat het voor leraren steeds gemakkelijker wordt om kennis te nemen van wetenschappelijk onderzoek naar taal- en leesonderwijs, via sites als leesmonitor of 4W, het wetenschappelijke tijdschrift van Kennisnet

pabo's
Hoewel de pabo’s vaak de zwarte piet krijgen toegespeeld, wordt er al jaren keihard gewerkt om studenten toe te rusten voor het vak van leraar. Dat valt niet mee. De vooropleidingen van pabo-studenten zijn niet toereikend, waardoor veel tijd naar basisvaardigheden gaat. Een probleem is bovendien dat de pabo voor het vak Nederlands gebonden is aan een door het ministerie vastgestelde kennisbasis (met landelijke toetsing) die niet op wetenschappelijke kennis, maar op praktijkwerkwijzen is gebaseerd en die in pabo-handboeken voor taal is overgenomen. Zo wordt  vernieuwing in het basisonderwijs vanuit de kennisbasis tegengehouden.

opbrengstgericht werken
Onder invloed van het opbrengstgericht werken van de laatste jaren, waarbij leraren nogal eens persoonlijk worden afgerekend op de resultaten van hun leerlingen is het principe van ‘teaching to the test’ omarmd. Als in het examen wordt gevraagd de hoofdgedachte in een tekst te bepalen of een sollicitatiebrief te schrijven, worden die onderdelen net zo lang geoefend tot ze studenten de neus uitkomen. Vergeten wordt dat je pas de hoofdgedachte van een tekst kunt bepalen of een brief kunt schrijven als je een kennis-, ervarings- en taalbasis hebt. Als je nooit leest, blijft die hoofdgedachte een kunstje dat je niet werkelijk onder de knie zult krijgen.

initiatieven

Wie wel eens een school over de grens heeft bezocht, weet dat het anders kan. Er is tenslotte al veel bekend over wat werkt in het taalonderwijs: betekenisvol lezen en schrijven. Wat je nodig hebt zijn goede leraren, veel fijne (kinder- en jongeren)boeken, authentieke motiverende teksten en mooie spannende opdrachten... Gelukkig zijn er ook prachtige initiatieven waarin goed taalonderwijs wel centraal staat. Denk aan de onderzoeksprojecten LIST en DENK! (HU/Windesheim), aan Bibliotheek op school, Luisterbieb, de leesprojecten van Stichting Lezen of aan een educatieve uitgever als Blink educatie waar bevlogen uitgevers zoeken naar mogelijkheden om eigentijds en motiverend onderwijsmateriaal te ontwerpen, zoals in Blink Wereld (wereldoriëntatie voor de basisschool) en in  Plot26 (Nederlands voor het voortgezet onderwijs).    







dinsdag 27 oktober 2015

Vrij lezen in het po, sbo, pro, vo en mbo

Vrij lezen
We schreven al een paar keer eerder over het belang van dagelijks vrij lezen op school (onder andere in vrij lezen in het mbo 1vrij lezen in het mbo 2 , levensverhalen lezen en dagelijks lezen ook in de brugklas). Wanneer basisschoolleerlingen AVI E4 (AVI-niveau eind groep 4) hebben behaald, kunnen ze meestal ook stillezen. Vanaf dat moment zal de leesontwikkeling vooral vorderen wanneer vrij lezen iedere dag (minimaal drie keer per week) is ingeroosterd en wordt gezien als een volwaardig onderdeel van het onderwijs. Dat betekent dat er een aantrekkelijk en recent boekenaanbod (minimaal zeven boeken per leerling) is, dat leraren rolmodel zijn, leerlingen helpen kiezen en zorgen voor motiverende interactie over boeken. Leerlingen die niet gemotiveerd zijn kunnen op weg worden geholpen door de leraar (zie Ralfi light). Het kan ook helpen wanneer ze het lezen voor een tijdje verwisselen door het luisteren naar boeken. Hardop-leesvormen (theaterlezen bijvoorbeeld) zijn vanaf het moment dat leerlingen AVI-E4 hebben behaald vooral bedoeld om het hardop lezen verder te onderhouden.

Voor leerlingen die E4 nog niet hebben behaald, staat het hardop lezen centraal. Bij leerlingen in groep drie en vier zal dat vooral gericht zijn op samen lezen (tutorlezen, duolezen). Ook voor deze leerlingen is vrij lezen (stillezen) belangrijk, maar dan met name om een leesroutine te verwerven. Leerlingen die ouder zijn en nog niet zelfstandig teksten kunnen verklanken (te zien aan fluisterend of heel langzaam lezen), kunnen tijdens de sessies vrij lezen naar luisterboeken luisteren. Daarbovenop hebben ze intensieve ondersteuning nodig, bijvoorbeeld met behulp van Ralfi.

Ook in praktijkonderwijs, voortgezet onderwijs en mbo 
Je vak moet je doen, niet lezen
In het primair onderwijs is vrij lezen inmiddels behoorlijk ingeburgerd. Op vrijwel alle basisscholen en scholen voor speciaal onderwijs wordt dagelijks gelezen. Ook in andere onderwijsvormen wordt gezocht naar manieren om vrij lezen vorm te geven. We merken dat in het praktijkonderwijs, het voortgezet onderwijs en het mbo steeds meer initiatieven worden genomen om vrij lezen in te voeren. Dat gebeurt vooral door docenten Nederlands. De leesmomenten worden dan geïntegreerd in de lessen Nederlands. Dat is natuurlijk prachtig, maar het kan mooier. Onlangs verscheen bij Stichting Lezen het rapport Je vak moet je doen, niet lezen (Van Koeven, 2015), waarin verslag wordt gedaan van onderzoek naar vrij lezen in de entree-opleiding van Deltion College in Zwolle. Vrij lezen is er ingevoerd in de hele opleiding. Niet alleen de docenten Nederlands, maar ook de docenten van de beroepsgerichte vakken begeleiden leesgroepen. Dat blijkt onverwacht krachtig. Juist docenten die een praktijkvak geven, zijn een belangrijk rolmodel voor hun leerlingen als het gaat om lezen. Van een docent Nederlands verwacht iedereen dat hij of zij leest, van een docent ICT of houtbewerking wellicht minder (Denk ook aan de campagne Vaders voor lezen waar precies hetzelfde speelt. Voorlezende vaders blijken meer impact te hebben op kinderen dan voorlezende moeders).

Rust en stilte
In de onderzochte entree-opleiding leest iedereen op hetzelfde moment in dezelfde vaste groep en met dezelfde begeleider. Dat betekent dat het op die momenten stil is in het hele gebouw. Zowel docenten als hun studenten blijken die rust te waarderen. Ook de ontstane routine wordt belangrijk gevonden. Het lezen hoeft niet langer ter discussie te worden gesteld, maar is voor iedereen vanzelfsprekend geworden. Steeds met dezelfde studenten lezen biedt veiligheid en zorgt voor acceptatie van elkaars leesniveau. Door de docenten is steeds benadrukt dat bij het vrij lezen leesplezier centraal moet staan. Daarom is afgezien van vaste verwerkingsvormen. Docenten bepalen zelf hoe ze interactie over boeken vormgeven. Er wordt gedifferentieerd binnen de leesgroepen door te zorgen door een verscheidenheid aan leesmateriaal. Ook is een start gemaakt met het gebruik van digitale boeken en luisterboeken. Autonomie leidt eveneens tot motivatie bij studenten. Ze kunnen bijvoorbeeld meebeslissen over het leesaanbod en de vormgeving van de leessessies.  

Hoewel Krashen (2004) of Mol (2010) de positieve effecten van lezen helder aantonen, is het moeilijk in de praktijk van een enkele klas direct effect te meten. Het kost tijd voordat lezen echt een onderdeel is geworden van het curriculum en het is moeilijk om effecten daadwerkelijk te herleiden naar het lezen. Toch zien leraren wel degelijk resultaten in hun eigen groepen. Ze noemen dat de tijd die wordt besteed aan lezen toeneemt. dat het aantal leerlingen dat leest groter wordt, net als het aantal gelezen boeken. Bovendien heeft het lezen een positieve invloed op gedrag (zie ook Fiori, 2013).  

Het onderzoeksrapport Je vak moet je doen, niet lezen bevat, behalve een verslag van het onderzoek naar vrij lezen, ook de lijsten met de boeken die de opleiding gebruikt en een protocol waarmee iedere (mbo-)opleiding zelf vrij lezen kan invoeren. Er zijn eveneens twee filmpjes gemaakt over het project vrij lezen, één aan het begin door studenten van Deltion College zelf en één na afloop door leraar 24. In de bij de NPO uitgezonden film Verlegen om woorden over laaggeletterdheid komt het project eveneens ter sprake.

Aidan Chambers
Chambers geïnterviewd door Edward van de Vendel
Op de eerste dag van de kinderboekenweek was jeugdboekenschrijver en 'booktalk'-goeroe, Aidan Chambers (80) te gast op onze Hogeschool. Chambers maakte op initiatief van Stichting Lezen een tour door Nederland en op 7 oktober ontvingen de Katholieke Pabo Zwolle en Hogeschool Windesheim hem samen in Zwolle. Ook Chambers wees erop hoe belangrijk het is dat lezen deel uitmaakt van het curriculum op school nu leerlingen thuis steeds minder gaan lezen. In de nieuwe brochure van Stichting Lezen over boekgesprekken verwoordt hij het als volgt: 'Reading is like travelling. Every book is a journey, a journey through ideas and information, facts and explanations, and a jouney through an author's mind. And every book we read, no matter of what kind, adss to our own journey through life and through the many worlds books open to us. In fact, reading is not just a journey, it is an exploration through a multitude of new lands. The English author C.S. Lewis once said by reading we can become a thousand different people and yet remain ourselves.' 


donderdag 15 mei 2014

Levensverhalen lezen

De hbo- en mbo-studenten die in de kantine van ROC Deltion in Zwolle over hun tafels zitten gebogen, merken hun omgeving nauwelijks op. Hun frisdrank blijft onaangeroerd en ze vergeten zelfs de taart die bij de lancering van het project levensverhalen is rondgedeeld. Ze zijn in gesprek over de levens van studenten van de niveau-1 opleiding (binnenkort entree-onderwijs) die nog geen diploma hebben gehaald. Die ingewikkelde thuissituaties hebben, laaggeletterd zijn of Nederland als vluchteling zijn binnengekomen. De hbo-studenten journalistiek die de levensverhalen van hun mede-studenten opschrijven, leren werelden kennen waarvan zij niet wisten dat die bestonden. De mbo-studenten voelen zich gehoord en denken mee over hoe zij hun verhaal het liefst verteld willen zien.  

                                                                                   Vrij lezen in het mbo
De Volkskrant, 26 april 2014 (bijlage Vonk)
In de Volkskrant van zaterdag 26 april 2014 en in de Stentor van 8 mei stonden bijzondere artikelen over ons project vrij lezen in het laagste mbo-niveau.Samen met het lectoraat pedagogische kwaliteit van het onderwijs van Hogeschool Windesheim en Stichting Lezen doen we onderzoek naar de manier waarop vrij lezen in deze onderwijsvorm het best kan worden vormgegeven.  Zie voor meer informatie onze blogs van 7 februari 2013 en 27 september 2013.

Echte verhalen
Al snel bleek dat veel van de mbo-studenten de boeken die we samen met  medewerkers van de bibliotheek voor hen hadden geselecteerd, niet waardeerden. We hadden goed nagedacht over de collectie: jeugdliteratuur, boeken voor makkelijk lezen, vakboeken, informatieve boeken over onderwerpen als sport of gamen en tijdschriften. Toch vonden de mbo-studenten de boeken te saai of te kinderachtig. Ze wilden ECHTE verhalen lezen. Nu hebben ze hun eigen boek: Queen Latifa & andere levensverhalen uit het entreeonderwijs dat op 13 mei op ROC Deltion werd gepresenteerd.

Queen Latifa is een geweldig samenwerkingsproject geworden. Docent Eva Vriend van de opleiding journalistiek van Windesheim en docent Frank Schaafsma van START.Deltion hebben hun studenten met elkaar in contact gebracht. Samen hebben we nagedacht over hoe de verhalen van de mbo-studenten nu het best konden worden opgeschreven. We wilden dat het interessante toegankelijke teksten zouden worden, rijk aan expliciete verbanden en aan context waaruit de betekenis van moeilijke woorden duidelijk zou worden. We wilden ook verhalen in het taalgebruik van de studenten zelf. Ter inspiratie lazen de studenten journalistiek verschillende korte verhalen, maar ook Annie M.G. Schmidt. Zij is er een meester in om eenvoudige taal toch rijk te laten zijn door zinnen in tweeën te knippen en met verbindingswoorden te laten beginnen en door met vraag- en antwoordconstructies te werken.

Levensverhalen 
Met levensverhalen wordt in een sociaal-maatschappelijke context veel gewerkt, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg. Door het vertellen van levensverhalen kunnen mensen betekenis geven aan en ordening aanbrengen in hun ervaringen.
Maar ook in het leesonderwijs zijn levensverhalen belangrijk. Het werken met eigen verhalen in het lees- en schrijfonderwijs kennen we vanuit traditionele vernieuwingsscholen zoals Jenaplan of Freinet, waar leerlingen leren lezen en schrijven met behulp van eigen teksten. Vaak over gebeurtenissen die ze zelf hebben meegemaakt. Ook in het zml-onderwijs wordt in het leesonderwijs met teksten gewerkt die leerkrachten schrijven over wat hun leerlingen ervaren. Eigen verhalen leiden tot motivatie en betrokkenheid bij het lezen.
Kinderen en jongeren lezen niet alleen graag over wat ze zelf meemaken, maar ook over de belevenissen van anderen. Populaire auteurs als Carry Slee schrijven vaak op basis van echte gebeurtenissen. In de slash-reeks van uitgeverij Querido baseren bekende jeugdboekenauteurs hun boeken op wat jongeren echt hebben meegemaakt (Van den Hoven, 2008). De boeken in de reeks zijn geschreven met de jongeren als co-auteur.

Effect
De docenten van ROC Deltion hopen dat hun studenten gemotiveerd zullen zijn om Queen Latifa te lezen, omdat de verhalen over henzelf en hun medestudenten gaan. Ze vragen zich af hoe ze het boek nog meer in kunnen zetten. Misschien kunnen ze het gebruiken bij burgerschapsvorming door de verhalen voor te lezen en erover te praten. Of misschien kunnen de verhalen studenten stimuleren hun eigen levensverhalen te gaan schrijven. In ieder geval vinden de mbo-studenten zelf dat alle docenten hun verhalen moeten lezen om hen echt te leren begrijpen.
Het zou goed zijn als het project doorgang vindt en er volgend jaar weer een groep studenten kan worden geinterviewd. De contacten tussen beide groepen zijn van twee kanten indrukwekkend geweest. Vanuit onze leerkring zijn we benieuwd hoe de studenten van START.Deltion Queen Latifa vinden. Over een tijdje gaan we met docenten en studenten hierover in gesprek. Deze blog wordt vervolgd.

De boekpresentatie op START.Deltion is van start gegaan. Journalistiekstudent Lidy leest het door haar zelf geschreven voorwoord. 

'Waar muren die mensen om zich heen hadden gebouwd langzaam werden afgebroken, ontstonden prachtige verhalen. Persoonlijke verhalen. Echte verhalen. Verhalen die alleen konden worden geschreven dankzij het lef van de Deltion studenten, die hun ervaringen moesten delen met een vreemde en het verteltalent van de Windesheimstudenten.' 

Luuk (Windesheim) en Maria (Deltion) lezen samen hun verhaal voor. Luuk heeft zich voorgesteld aan Maria. 

'Stom, dacht hij. Wat zou ze nu van mij vinden? Een nerd? Met mijn games, boeken, bril en smalle schoudertjes. Zou ze mij haar verhaal willen toevertrouwen?
Ze keek hem aan en glimlachte. 
'Ik ben Maria, negentien jaar, ik kom van Sint Eustacius, dat ligt in de Caraïben. Hobby's heb ik niet echt. Ik woon al vanaf mijn vijftiende op mijzelf.'
'Je woonde op je vijftiende al op jezelf?' vroeg Luuk, hij boog zich naar voren.
'Ja, ze vonden mij moeilijk opvoedbaar,' zei ze zacht, 'maar dat ben ik helemaal niet hoor. Dingen worden groter gemaakt.'  

De zaal is stil. Dan neemt muzikant  Rico (ex-Opgezwolle) het eerste exemplaar in ontvangst van één van de studenten. Rico kent ROC Deltion van binnenuit. Hij heeft er zelf op school gezeten. De studentenkoppels komen in tweetallen naar voren en krijgen Queen Latifa uitgereikt. Ze zijn trots en blij. 

'The people in a number of stories are of the kind that many writers have got in the habit of referring to as 'the little people'. I regard this phrase as patronizing and repulsive. There are no little people in this book. They are as big as you are, whoever you are.'  

Joseph Mitchell in McSorley's Wonderful Saloon: 
citaat op de eerste pagina van het boek.     

 Queen Latifa bestellen: cbrugman@deltion.nl