Aan deze blog heeft ook dr. Gerrit Jan Kootstra bijgedragen. Hij is taalwetenschapper
en onderzoeker/docent bij de afdeling educatie van Windesheim. Zijn speciale
aandachtsgebied is meertaligheid.
Op een basisschool in Noord Nederland stromen twee vluchtenlingenkinderen in
die maar een paar woorden Nederlands spreken. De school beseft heel goed dat
het van primair belang is om aandacht te besteden aan hun taalprobleem (zie ook
de
blog
van Martine Delfos), maar weet niet goed hoe. Ergens in de kast staan nog
oude NT2 methodes. Kunnen die een oplossing bieden?
NT2-methodes
Toen in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw
onderwijsmateriaal voor niet Nederlandssprekende leerlingen nodig was,
werden allerlei speciale NT2-methodes uitgegeven. In het
eerste decennium van onze eeuw zijn deze methodes samengevoegd met de
NT1-methodes. Daaraan hebben we de zorgelijke ontwikkeling te danken
dat momenteel in iedere taalmethode expliciet woorden worden
aangeboden op basis van woordfrequentie (zie onze eerdere blog:
Woordenschatonderwijs
bestaat niet). Inmiddels stromen op onze scholen de
vluchtelingenkinderen binnen en is er opnieuw veel vraag naar kennis over
NT2-onderwijs. Over het onderwijs in schakelklassen is wel kennis voorhanden (
Sardes,
2014). Maar vooral op scholen met een klein aantal
niet-Nederlandssprekende leerlingen per klas zit men met de handen in het haar.
Veel oude NT2-methodes worden weer uit de kast gehaald. De reden is
dat reguliere taalmethodes niet zouden voldoen voor anderstalige
leerlingen. In eerdere blogs betoogden we al dat reguliere methodes ook niet
voldoen voor Nederlandstalige kinderen. Ze zijn te taalarm, te weinig betekenisvol,
te sterk gericht op instructie, ook waar dat niet nodig is, en te toetsend
door het frequent gebruik van werkbladen. Als dit al geldt voor
Nederlandstalige leerlingen, dan kunnen deze methodes zeker niet geschikt zijn
voor anderstalige leerlingen. Maar ook voor NT2-methodes geldt nogal eens dat
ze om dezelfde redenen als NT1-methodes niet goed bruikbaar zijn.
Het leren van een eerste en tweede taal
Goed nieuws: het leren van een tweede taal is in principe niet of nauwelijks
anders dan het leren van de moedertaal. De menselijke hersenen zijn uitermate
geschikt om taal te leren, zonder dat daar directe instructie aan te pas
komt. Dit geldt voor onze eerste, maar ook voor daarop volgende talen. Wat
uiteraard wel een verschil is tussen eerste- en tweedetaalleerders is dat
tweedetaalleerders ‘extra bagage’ hebben: ze spreken een andere taal, waarin
(in meer of mindere mate) al taal- en begripsontwikkeling heeft plaatsgevonden.
Uit onderzoek blijkt dat het voor het menselijk brein onmogelijk is om de eigen
taal volledig ‘uit te schakelen’ bij het leren van de nieuwe taal en dat de
eigen taal ook kan bijdragen aan het leren van de nieuwe taal (zie bijv.
Kootstra,
Dijkstra, & Starren, 2015 voor een recent overzicht).
De Canadese taalonderwijskundige
Jim Cummins stelde
al
in 1979 dat vaardigheid in de tweede taal afhankelijk is van vaardigheid in
de eerste taal. Bovendien blijkt uit een
recente
meta-analyse naar voorspellers van schoolsucces bij leerlingen met een
migrantenachtergrond in Nederland dat mondelinge taalvaardigheid in niet alleen
het Nederlands
maar ook de thuistaal
een significante voorspeller is van schoolsucces.
Voor anderstalige leerlingen is het daarom onmisbaar dat er op school een
positieve houding bestaat ten opzichte van hun eerste taal en dat die waar
mogelijk wordt ingezet ter ondersteuning van het leren van Nederlands. Sinds
het verdwijnen van wettelijke regelingen voor OALT (onderwijs in allochtone
levende talen) en OETC (onderwijs in eigen taal en cultuur) is in het onderwijs
lang weinig aandacht geweest voor de eigen taal van leerlingen. Ook in de
lerarenopleidingen en de handboeken taal- en NT2-didactiek was dit een
ondergeschoven kindje. Dit heeft tot gevolg gehad dat niet-Nederlandstalige ouders
soms –en vaak met goede bedoelingen– het advies kregen om thuis Nederlands te
spreken. Leraren werd geadviseerd altijd de thuistaal uit de klas te bannen. Immers,
de gangbare opvatting was dat beide talen gescheiden systemen waren en dat duidelijk
moest worden afgegrensd in welke taal in de ene en in de andere situatie moest
worden gesproken. Inmiddels is er meer kennis over meertaligheid en kunnen deze
mythes ontkracht worden (
Grosjean,
2010).
Er is qua leermechanismen geen principieel verschil tussen leerlingen die
een eerste en een tweede taal verwerven. De taalontwikkeling is in beide
gevallen afhankelijk van
de mondelinge
interactievaardigheden van volwassenen, van rijke en frequente interactie in
betekenisvolle contexten, van rijke teksten en van een veilig klimaat (zie
leraar
24 Dossier: Taalontwikkeling NT2).
Mondelinge interactievaardigheden van volwassenen
Taalstimulerende interactie met een volwassene is erg belangrijk voor de
taalontwikkeling. Dit type interactie is niet vanzelfsprekend voor iedere
leerkracht. Een aantal vaardigheden zijn van belang tijdens alle vakken:
-
Begrijpelijk
taalaanbod geven,
ingebed in de betekenisvolle (leer)situaties op school.
Het taalaanbod wordt begrijpelijker naarmate langer en breder binnen één rijk
en interessant thema gewerkt wordt. Concrete situaties en voorwerpen die een
rol spelen binnen het thema kunnen ook een verduidelijkende rol hebben.
Moeilijker taal wordt niet vermeden, maar de leraar helpt de NT2 leerlingen om
te gaan met moeilijker taal door deze eerst in hun eigen woorden en/of met
behulp van voorwerpen/plaatjes en/of filmpjes uit te leggen. Daarna worden de
leerlingen geconfronteerd met de oorspronkelijke verwoording die eerst te
moeilijk was. Dit proces is een vorm van ‘scaffolding’, ook wel taal- en
vaksteun genoemd of ‘in de steigers zetten’ (
de
Graaff, 2013;
Rose,
2005).
- Duidelijk
spreken. De leraar spreekt ongehaast, en herhaalt en herformuleert waar dat
nodig is. De wijze waarop de leerkracht gebruik maakt van intonatie,
non-verbale communicatie en de context, versterkt het begrip.
- Taalruimte
scheppen. De leraar geeft leerlingen extra ruimte in het gesprek door
stiltes te laten vallen, door beurtbescherming, door positieve (non-verbale)
reacties op de inbreng van de leerlingen en door het stellen van open vragen.
Onder open vragen verstaan we hier vragen waarop veel verschillende antwoorden
mogelijk zijn en gewaardeerd kunnen worden.
-
Feedback geven met
‘prompts’. Vaak krijgen tweedetaalleerders feedback door middel van het
verbeterd teruggeven van de foutieve taaluitingen. Dit is echter minder
effectief dan het gebruik van prompts (
Ammar
& Spada, 2006; de Graaff, 2013). Prompts zijn verschillende soorten
uitingen van de leerkracht waarmee deze de aandacht vestigt op een specifiek
stukje van de uiting en aanstuurt op zelfcorrectie. Een voorbeeld
is: Leerling: ‘Wij eet falafel’ Leerkracht: ‘hoe zeg je dat?’ of
‘ik begrijp het niet helemaal, wij eet?’ De kunst is om dit op een
gevarieerde en voor de leerling niet frustrerende manier te doen. Dit betekent
dat prompts niet te vaak gegeven worden en alleen naar aanleiding van
specifieke constructies die op dat moment als doel gekozen zijn. Communicatie
gaat immers in de eerste plaats om de inhoud en niet om de vorm.
Rijke en frequente interactie in betekenisvolle contexten
De geschiedenis van het NT2-onderwijs startte met instrumentele benaderingen
vanuit de gedachte dat leerlingen taal leren door het aanbieden van losse
klanken of van grammatica. Inmiddels weten we dat onderwijs aan nieuwkomers en
aan andere leerlingen gebaseerd moet zijn op kennisontwikkeling en interactie
in betekenisvolle contexten (
Wilson
& Devereux, 2014). Taalonderwijs kan niet los van betekenis
plaatsvinden. Taalontwikkelingsprocessen vinden plaats door interactie
in gevarieerde en rijke contexten, zoals het gezins- en familieleven, het
omgaan met vrienden, op school, tijdens het sporten en tijdens hobby's.
Participatie en interactie in een rijke taalomgeving zijn cruciaal voor het
leren van taal (
Lantolf
& Thorne, 2006). Het inzetten van coöperatieve werkvormen werkt
uitstekend, omdat het leidt tot
‘peer-scaffolding’ (
Gibbons,
2015). Taalontwikkeling is afhankelijk van de rijkdom en authenticiteit van
de context en zal dan ook op school eerder plaatsvinden tijdens zaakvakken,
natuur en techniek, pauzes, gym en kunstvakken dan op momenten dat 'taal' op
zich centraal staat. Taallessen bedienen zich immers doorgaans van kunstmatige
en daarmee arme contexten. Deze contexten hebben geen vervolg in het overige
onderwijs en leiden niet tot de rijk verbonden ervarings- en taalbasis die
nodig is om tot taalbegrip te komen (zie onze blog over
de
essentie van lezen).
Rijke teksten
Kader Abdolah vertelt regelmatig hoe hij Nederlands heeft geleerd: met
behulp van Annie M.G. Schmidt en
De donkere kamer van Damocles,
met andere woorden door een aanbod van goed geschreven boeken. Boeken zijn een
rijke bron van woordenschat zolang ze tenminste niet herschreven zijn naar AVI
en CLIB-richtlijnen. De woordenschat in boeken is veel rijker dan het mondeling
taalaanbod van de leerkracht (zie ook onze eerdere blog over
woordenschat
vergroten door taalrijk onderwijs). Ook voor NT1-taalleerders zijn boeken
een belangrijke bron van woordenschatontwikkeling. Het (voor)lezen en bespreken
van rijke teksten/boeken is dan ook goed NT1- én NT2 onderwijs.
Een veilig klimaat
Een veilig
klimaat is de basis voor alle leren. Leerlingen moeten zich gezien en gekend
voelen. Daarbij is het –zoals gezegd- belangrijk dat een leraar ruimte geeft
aan de thuistaal, zich bewust is van culturele verschillen, voldoende
ondersteuning biedt en hoge verwachtingen heeft, aansluitend bij de
capaciteiten van leerlingen.
Voorbeelden van bruikbare technieken voor de praktijk van het
NT2-onderwijs
In
aansluiting op bovenstaande principes bespreken we hier een aantal technieken
waarmee positieve ervaringen zijn opgedaan in het NT2-onderwijs. Het is
belangrijk om deze technieken zo in te zetten dat zij aansluiten bij het
thematisch werken in de klas. Zo is er een doorgaande lijn en een
betekenisvolle context.
Total
Physical Response (TPR) ®
Dit is een methode voor leerlingen die net in Nederland zijn aangekomen en
gericht op het eerste begin van hun taalverwerving in het Nederlands. De basis
van deze methode wordt gevormd door concrete mondelinge opdrachten die door de
leerlingen naar model van de leerkracht fysiek worden uitgevoerd.
Scaffolding met behulp van Google Translate
Google Translate is op verschillende manieren in te zetten in het onderwijs
aan anderstaligen. Opdrachten en stukken tekst kunnen gemakkelijk vertaald
worden en zijn dan niet alleen schriftelijk zichtbaar, maar kunnen ook
uitgesproken worden met behulp van tekst naar spraak. De vertalingen zijn
uiteraard niet perfect omdat het om machinale vertalingen gaat, maar geven toch
vaak een goede indruk van de inhoud en de bedoeling van oorspronkelijke
taaluitingen. Zelfs kan gewerkt worden met mondelinge taalinvoer. Zo kunnen
leerlingen elkaar en leraren leerlingen begrijpen ondanks een enorme
taalbarrière, en wordt er ruimte gegeven aan het benutten van de kennis van de
thuistaal van NT2-leerlingen.
Voorlezen en bespreken van prentenboeken
Prentenboeken ondersteunen de
taalvaardigheid door de combinatie van rijke tekst en prenten. De leraar draagt
bij aan de ondersteuning door het verhaal bijvoorbeeld met Google Translate te
laten horen in de oorspronkelijke taal. Vervolgens vertelt de leraar het
verhaal vooraf in het Nederlands in eenvoudiger bewoordingen. Waar nodig wordt
dit ondersteund met concrete voorwerpen en plaatjes (bijvoorbeeld uit Google Afbeeldingen).
Vervolgens leest de leerkracht de prentenboektekst herhaaldelijk voor. Na het
voorlezen wordt de tekst uitgespeeld op de verteltafel, kunnen leerlingen het
boek zelf bekijken in de leeshoek en de digitale versie herhaaldelijk bekijken.
Het is zinvol om meer prentenboeken rond hetzelfde thema voor te lezen. Deze
techniek is niet alleen zinvol voor jonge leerlingen. (Digitale) prentenboeken
kunnen ook worden ingezet voor oudere leerlingen. Denk dan aan leeftijdsloze
prentenboeken waarin sociaal-emotionele of morele problematiek centraal staat
of speciaal voor oudere leerlingen gemaakte prentenboeken. Let op, tekstloze
prentenboeken zijn minder geschikt om de taalontwikkeling van tweede-taalleerders
mee te stimuleren.
Leren lezen in een alfabetisch systeem
Connect klanken en letters
is een eenvoudig uit te voeren programma zonder voor het leesproces overbodige
toevoegingen. Dit maakt het mogelijk om lezen op een niet kinderlijke wijze
vorm te geven bij leerlingen die ouder zijn dan zes jaar. Connect klanken en
letters is beschreven in het boek Dyslectische
kinderen leren lezen. De
informatie die over dit programma op internet is te vinden is gericht op
jongere leerlingen (zie Masterplan dyslexie en een film over
Connect klanken en letters op Leraar24). De essentie van het programma heel
geschikt voor oudere tweedetaalleerders.
Ondersteuning en herhaling bij lezen
Er zijn leraren aan het experimenteren met het inzetten van LIST, RALFI en
RALFI light bij tweedetaalleerders en de eerste ervaringen zijn positief. In een van
onze
eerdere blogs is meer informatie te vinden over RALFI en RALFI light (Zie ook onze site
rijketaal.org). Over
LIST verscheen een boek dat te verkrijgen is via
list.fe@hu.nl
Luisteren en lezen
In de beginfase van de tweede taalontwikkeling is het vaak moeilijk om
woordgrenzen te onderscheiden. Een middel als
Yoleo
kan hierbij ondersteunend zijn als leerlingen eerder hebben leren lezen in een alfabetische
taal. Leerlingen lezen en luisteren simultaan. Bij iets meer gevorderde NT2-ers
die hebben leren lezen in een alfabetisch systeem kan het heel ondersteunend zijn
om Nederlandse ondertiteling te gebruiken bij Nederlandstalige films en
televisieprogramma’s. Als leerlingen weinig ondersteuning nodig hebben, kan ook
uitsluitend met luisterboeken gewerkt worden. Die zijn bijvoorbeeld beschikbaar
via
Luisterbieb. Scaffolding
voorafgaand aan het luisteren is dan wel van belang. Heel mooi is als kinderen
het boek eerder in hun eigen taal hebben gelezen of als iemand het boek kan
inleiden in de eigen taal (denk ook aan Google Translate). Het vooraf bekijken
van een film naar het boek of een inleiding door de leraar is eveneens
ondersteunend.
E-readers en e-books
E-books op E-readers hebben het grote voordeel voor tweedetaalleerders dat
onderliggende woordenboeken heel gemakkelijk te raadplegen zijn. Het is wel
belangrijk om van tevoren na te gaan welke woordenboeken precies beschikbaar
zijn. Daarnaast heeft een aantal e-readers ook tekst-naar-spraakmogelijkheden
waardoor woorden, zinnen en teksten naar keuze door de leerling ook voorgelezen
kunnen worden.
Specialist Nieuwkomersonderwijs worden?
Hogeschool Windesheim heeft in samenwerking met de Hogeschool Utrecht de
opleiding Expert in Nieuwkomersonderwijs ontwikkeld.